Het betrekkelijk gelijk van Griekenland

door André de Raaij

Met de val van de Berlijnse Muur is er een einde gekomen aan de onwrikbaarheid van de grenzen in Europa, en vrijwel tegelijkertijd is gebroken met de conventie dat men zich niet dient bezig te houden met de binnenlandse aangelegenheden van andere landen. Naoorlogse voorbeelden als Zuid-Tirol en Noord-Ierland bevestigen dit gegeven slechts: de staatsgrenzen hebben in deze gevallen niet of nauwelijks ter discussie gestaan. De opmerkelijkste breuk op dit punt was de aandacht die bondskanselier Kohl vroeg voor de Duitse minderheid in Polen, in de dagen voor de Duitse hereniging. Deze minderheid – voorzover iemand buiten Polen zich haar bestaan herinnerde – behoorde tot de interne aangelegenheden en in ieder geval tot de non-onderwerpen van de agenda van de buitenlandse politiek.

In plaats van Kohl bits terug te wijzen, bleek de nieuwe Poolse regering bereid te praten over de rechten van deze minderheid, en o wonder: allengs bleek deze steeds groter te worden, in sommige plaatsen een besliste meerderheid te vormen en een bloeiend eigen politiek en cultureel leven op te bouwen. Men zou kwaaddenkend kunnen zeggen dat het loonde zich bij deze minderheid aan te sluiten, omdat het emigratie vergemakkelijkte: velen in andere landen, zeker ook in Nederland, hebben Duits(ers in hun) voorgeslacht [de redactie van uw Gouden Hoorn niet uitgezonderd], maar ontlenen hieraan geen etnische bepaaldheid en al helemaal geen reden tot emigratie. In Polen is dit nu eenmaal anders (voor een verslag van een spontane ontmoeting met “Duitse” Polen zij verwezen naar: “Pools bier”, Arcade: jaarboek voor ambulante wetenschappen #4).

Het veranderen van grenzen, het over oude of nieuwe grenzen heen pretenderen bepaalde mensen te vertegenwoordigen – het is nog vast te stellen hoe het begonnen is in het Europa van na de Koude Oorlog, maar waar het gaat eindigen wordt steeds onzekerder. Van de Ålandarchipel tot Noord-Epirus of verder staan grenzen weer ter discussie, en in enkele gevallen blijft het niet bij discussie.

Tussen lidstaten van de Europese Unie lijkt het vooralsnog ondenkbaar dat via agitatie of geweld aan grenzen gesleuteld wordt. Zelfs de Ierse “Border of Shame”, zoals republikeinen die noemen, functioneert in de praktijk minder als een verdelende grens dan de retoriek van voor- en tegenstanders doet vermoeden. Val d’Aosta, Zuid-Tirol, Corsica, Elzas-Lotharingen, Eupen-Malmédy: over autonomiestatuten valt te praten, maar grenzen verleggen, daar heeft alleen een verknipte minderheid het over. Maar voorbij de Karawanken houdt de Europese Unie op, en klaarblijkelijk ook de behoefte tot beschaving tussen verschillende staten. In dit verband wil ik nu niet per se Bosnië noemen, maar veeleer de uitgesproken behoefte van het nieuwe Italiaanse bewind om eventueel Istrië of Dalmatië terug te winnen: als het om de Balkan gaat is de verknipte minderheid ook in West-Europa plotseling een regeringsmeerderheid.

Griekenland is lid van de Europese Unie en van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie. In het eerste opzicht zal het land op het Balkan-schiereiland wel uniek blijven, in het tweede vindt het een bondgenoot in grote oosterbuur Turkije.

Door de wonderlijke verwikkelingen van de Koude Oorlog is Griekenland, – in zijn huidige vorm viereneenhalve eeuw onderworpen geweest aan het Turkse Rijk, waarvan de Turkse Republiek als voortzetting gezien mag worden – militair bondgenoot geweest van de voormalige bezetter. Om vast te stellen hoe merkwaardig dit is hoeven we niet eens terug te kijken naar de afloop van de Eerste Wereldoorlog en de massale uittocht van Grieken uit Klein-Azië, waar de Griekse “aanwezigheid” heel wat oudere papieren heeft dan de Turkse. We kunnen denken aan de machinaties rond Cyprus, waar de bevolking voor meer dan tachtig procent Grieks is, en slechts door beproefde koloniale trucs (van Groot-Brittannië) een vetorecht bij de Turkse minderheid kon worden gelegd op aansluiting van het eiland bij Griekenland. Maar ook de onafhankelijke republiek – schoonheidsfoutje en vergissing bij de planning: geen lid van de NAVO, maar wel heel strategisch als het ware voor de kust van het Midden-Oosten – is geen eerlijke kans gegeven. Wij gedenken nu de twintigste verjaardag van de coup van ultrarechtse Grieksgezinden, die een eind had moeten maken aan het leven en dus het bewind van aartsbisschop Makarios. Een coup, die meer dan alleen de zegen had van het Atheense kolonelsbewind, de Britse en de Amerikaanse regering. Ondanks de feitelijke mislukking: Makarios bleek niet gedood, maar gevlucht, is vervolgens het eiland voor veertig procent bezet door Turkse troepen die schielijk tot wat nu “etnische zuivering” heet overgingen. Ze zijn er nog, een lichtend voorbeeld voor plannenmakers voor etnisch zuivere staten op de Balkan. Dat de mislukking van de coup tot de val van het kolonelsbewind heeft geleid en tot herstel van de democratie in Griekenland kan aan de positieve zijde geboekt worden. Maar daar mag men toch niet tevreden mee blijven! Al was het maar, omdat deze democratie een zeker even grote structurele corruptie met zich meebrengt als die in Italië. Maar ook, omdat het niet acceptabel mag zijn dat bijna de helft van het grondgebied van een soeverein land bezet wordt gehouden door het leger van een buurland.

Cyprus is ongetwijfeld één van de zwaarwegende punten in de bijna panhelleense consensus ten aanzien van Macedonië. Anti-Griekse pogroms in Turkije in 1955 en 1964, die ook Constantinopel zo goed als Griekenvrij hebben gemaakt – het moest met de mantel van de Koude-Oorlogsliefde bedekt worden. Het ter discussie stellen van de status van eilanden in de Egeïsche Zee, en dreigende vliegtuigmanoeuvres door bondgenoot Turkije: de Grieken moeten niet zo kinderachtig doen.

Natuurlijk doen “de Grieken” buitengewoon kinderachtig als het om het zwakke Macedonië gaat. Zonder bescherming van de VN was dit landje mogelijk allang verdeeld geweest door tenminste drie buurlanden, een gegeven waar men in Griekenland wel gemakkelijk aan voorbijziet. Méér dan kinderachtig is de wijze waarop Slavische minderheden in eigen land worden afgeschilderd als wat gestoorde bejaarden die een Grieks dialect spreken waarvan ze denken dat het Slavisch (Macedonisch dus) is. Het glashard ontkennen van het bestaan van een “autochtone” Albanese minderheid, terwijl wel steeds de rechten van Griekstaligen in Albanië ter sprake moeten worden gebracht. Het ontkennen van het bestaan van de Vlachen als apart volk. En tenslotte de ergerlijke wijze waarop de Turkse minderheid in Thracië in haar burgerrechten wordt beknot: Griekenland staat in de Europese Unie apart als een tamelijk zwaar geval voor Amnesty International.

De ressentimenten kunnen ten aanzien van het zwakke Macedonië uitgeleefd worden. Maar aan de massale campagne tegen deze noorderbuur liggen diepere en niet geheel irreële angsten ten grond. Griekenland is benauwd voor de grote sterke oosterbuur die op geen enkele wijze tracht de indruk te wekken dat de angsten ongegrond zijn. De bezetting van Cyprus, het deelnemen aan de VN-vredesmacht in Bosnië-Hercegovina en de dreiging ten aanzien van de Egeïsche Zee, gevoegd bij belangrijke Turkse minderheden in Macedonië en Bulgarije kunnen gemakkelijk een gevoel van dreigende omsingeling oproepen. Men kan zich in Griekenland terecht afvragen welke zogenaamde EU- of NAVO-bondgenoot zich erg druk zal maken over de teloorgang van een goedkoop vakantieland dat gemakkelijk in te ruilen is voor “iets anders”, als het verder mis gaat in de verhouding tot Turkije. De gang van zaken rond Cyprus en Bosnië belooft niet veel goeds. En niet alleen wordt in het grotendeels door media gevormde historische bewustzijn bij de “bondgenoten” de bezetting van noord-Cyprus voor kennisgeving aangenomen, de pogroms van 1955 en 1964 zijn geheel weggepoetst (wie was er toen “woedend”?) en hetzelfde geldt voor de burgeroorlog van 1945-1949. Als de oorlogen in voormalig Joegoslavië als de eerste grote geweldsuitbarsting sinds de Tweede Wereldoorlog worden gepresenteerd, wordt ook weer voorbijgezien aan de zeer traumatische Griekse burgeroorlog, waarin opnieuw Groot-Brittannië en de Verenigde Staten hun rol hebben gespeeld omdat het toen zo mooi uitkwam in de Koude Oorlog. Het trauma is vervangen door de hysterische consensus ten aanzien van Macedonië en zeker ook Albanië.

Iedere Griekse regering dient sterk gekritiseerd te worden wegens de slechte behandeling van de niet-Griekse minderheden in het land. De structurele discriminatie is net zo goed, neen meer een bedreiging voor de vrede dan vreemde luchtmachtoefeningen of de naamskeuze van een Joegoslavische “opvolgerstaat”. Maar begrip voor de zorgen die ten grondslag liggen aan de overspannen reacties in Griekenland zou West-Europa en Noord-Amerika op zijn minst sieren. Met een schouderophalen of een botweg ontkennen dat er een probleem of een gevoelde dreiging is zal men er in dit tijdperk na de Koude Oorlog niet komen.

Voor bovenstaande beschouwing ben ik dank verschuldigd aan:

Christopher Hitchens, Hostage to history: Cyprus from the Ottomans to Kissinger. New York: The Noonday Press / Farrar, Straus and Giroux, 1989 (second edition). [Oorspronkelijke titel: Cyprus].

Macedonia and the Macedonian question: a brief survey. Thessaloniki: Society for Macedonian Studies / Center of Macedonians Abroad, 1983. Een treffend staaltje van Griekse overheidspropaganda uit de tijd toen Joegoslavië nog intact was.

Advertisements