De Vita Syncleticae een ascetisch leerboek vermomd als heiligenleven*

door Annabelle Parker

De Vita Syncleticae is een Griekse tekst die oorspronkelijk geschreven zou kunnen zijn in de vijfde of zesde eeuw, in de tijd dat uitspraken van monniken verzameld en opgeschreven werden. Dit verzamelen en opschrijven van uitspraken van vooraanstaande monniken -en monialen- gebeurde vooral in Egypte en Palestina. Een belangrijke groep verzamelingen met monniksuitspraken wordt de Apophthegmata Patrum, of de ‘Vaderspreuken’ genoemd. Deze verzamelingen zijn zowel alfabetisch als systematisch (indeling naar zonden of deugden) gemaakt en in groten getale verspreid en vertaald in onder andere het Latijn, Koptisch, en Syrisch. Eén van de drie vrouwen die in deze ‘Vaderspreuken’ herhaaldelijk voorkomt, is Synkletika van Alexandrië, uit wier Vita geciteerd is door de anonieme samenstellers van de spreukenverzamelingen.

De Vita Syncleticae is niet het soort heiligenleven dat veel wonderen bevat. De tekst bestaat uit drie delen: het eerste deel, waarin de verteller aan het woord is, gaat over Synkletika’s leven met de gebruikelijke cliché’s (ze was mooi en rijk maar gaf na de dood van haar ouders alles weg om zich terug te trekken in een graftombe, etc.).

In het tweede deel is Synkletika zelf aan het woord met raadgevingen aan vrouwen die het leven als ‘Bruid van Christus’ ambiëren. In het laatste deel verhaalt de verteller over het lijden en de dood van Synkletika. Haar lijden aan ziektes zoals gangreen en longontsteking wordt uitvoerig beschreven, het wordt beschouwd als een ascetische oefening.

Het bestuderen van de tekst van de Vita Syncleticae riep bij mij vragen op, die in secundaire literatuur niet afdoende behandeld waren. Er was overigens zeer weinig secundaire literatuur te vinden over deze Vita: ze wordt bijv. niet genoemd in de Dictionnaire de Spiritualité. Ik heb naast de Griekse tekst zoals afgedrukt in J.-P. Migne: Patrologia Graeca 28, gebruik gemaakt van een Franse vertaling van Odilia Bernard1, die een beknopte inleiding zonder noten of verwijzende literatuur heeft toegevoegd, en de Engelse vertaling van Elisabeth Castelli2, die nog summierder was in haar inleiding.

Vragen die ik aan de orde heb gesteld waren onder andere:

  • Wat was er eerst: de Apophthegmata van Synkletika en daaruit voortkomend een Vita? Of de Vita eerst, en daaruit spreuken geplukt door samenstellers van spreukenverzamelingen? (origine).
  • Heeft Synkletika echt bestaan, of is zij een creatie van de pen van de auteur, de vrouwelijke Antonius Abt? (historiciteit).
  • Hoe kan je deze tekst met de gegevens die je hebt het meest nauwkeurig dateren?
  • Welke bronnen heeft de auteur van de Vita gebruikt? (Evagrius, Methodius en Athanasius).

Als antwoord op vraag 1 is mijn redenatie als volgt: de Vita was er eerst, omdat de spreuken die uit de Vita zouden zijn overgenomen nogal lang zijn vergeleken bij de oudste spreuken die als kenmerk hebben dat ze puntig zijn. (‘Vader, geef me een woord’). Er blijft toch enige twijfel bestaan over dit antwoord, omdat de vorm van de Vita zo vreemd is: de twee delen waarin de verteller aan het woord is, zouden als het ware losgekoppeld kunnen worden en er zou een verhaal met raadgevingen overblijven, een geheel van uitspraken. Toch kies ik voor de Vita als bron voor de Apophthegmata, vanwege het literaire karakter van de tekst, maar houd me ten goede!

De tweede kwestie, of er sprake is van een historische Synkletika, is zonodig nog vager. De tekst lijkt wel een literaire vorm om de vrouwelijke asceten en de monialen een voorbeeld te geven waaraan zij zich kunnen spiegelen, net zoals monniken zich aan de Vita Antonii zouden kunnen spiegelen. In de late Oudheid ontstonden voor vrouwelijke religieuzen soortgelijke geschriften met als titel ‘Ad Virgines’ of iets dergelijks van de hand van vooraanstaande kerkvaders als Ambrosius, Augustinus en Basilius.

Voor de historiciteit van Synkletika zou pleiten, dat de auteur de ziektes van Synkletika zeer gedetailleerd beschrijft, alsof hij of zij haar van dichtbij heeft meegemaakt. Maar daar valt weer op tegen te werpen, dat die passage in het derde deel van de Vita is beschreven: later toegevoegd? Concluderend kan men zich blijven afvragen of de Vita Syncleticae een mengeling van echt en fictie is.

De meest nauwkeurige datering wanneer de tekst geschreven is, is te geven door te bedenken dat de eerste Apophthegmata-verzamelingen rond 500 ontstonden, en de eerste verzameling waarin Synkletika wordt geciteerd, de Latijnse systematische versie is, van ong. 550. Als we aannemen dat de Apophthegmata van Synkletika uit haar Vita afkomstig zijn en niet andersom, dan moet de Vita van vóór 550 zijn. Nog een aanwijzing voor de datering van de Vita Syncleticae is het volgende: in de Vita Syncleticae worden zogenaamde ‘gedachten’, logismoi, geordend en besproken. De systematisering van 8 ‘zondige gedachten’ is voor het eerst door Evagrius van Pontus opgeschreven. Deze intellectuele monnik die zijn laatste jaren sleet in de Egyptische woestijn, stierf in 399. De Vita Syncleticae zou men kunnen dateren na Evagrius, dus na 399. Conclusie: de datering van de Vita Syncleticae is zeer ruim te schatten op 400-550.

Van invloed op de Vita Syncleticae is het werk van bovengenoemde Evagrius Ponticus geweest. De spil van zijn intellectuele arbeid werd gevormd door zijn geschriften over het gebed. De weg tot God loopt via het gebed, en die weg is te verdelen in het ‘praktische’ leven en daarna het leven van God schouwen en apatheia (passieloosheid) bereiken. Tijdens de praktikos periode leert de beginnende asceet de bovengenoemde acht logismoi, of ‘gedachten’ beheersen. Deze gedachtenleer is in het Westen geïntroduceerd door Johannes Cassianus, die door Benedictus gelezen werd. Gregorius de Grote en Augustinus hebben ook bijgedragen aan deze ‘leer’. Welke waren deze acht ‘gedachten’?

Bij Evagrius waren het:

  1. vraatzucht
  2. ontucht
  3. geldzucht
  4. droefheid
  5. toorn
  6. onverschilligheid
  7. ijdele roemzucht
  8. hoogmoed

In de Vita Syncleticae vinden we tien logismoi, in iets andere volgorde:

  1. ontucht
  2. vraatzucht
  3. geldzucht
  4. hovaardigheid
  5. ongehoorzaamheid
  6. hoogmoed
  7. toorn
  8. het zich herinneren van kwetsuren uit het verleden
  9. kwaadsprekerij
  10. determinisme

Zoals bij al dit soort geschriften over het beheersen van de ‘gedachten’, wordt de oorzaak, de werking en de remedie van de ‘gedachten’ op psychologische wijze beschreven in de Vita Syncleticae, met veel vergelijkingen. Meestal wordt de asceet vergeleken met een atleet, of met een zeeman. De vergelijking van een perfecte asceet in wording met een jonge boom die gesnoeid moet worden komt ook meerdere keren voor.

Er zit ook een ontwikkeling in de ‘gedachten’. Eerst leer je de uiterlijke ( de eerste 5) te beheersen, dan valt de duivel van binnenuit aan met hoogmoed. Opvallend in het betoog van Synkletika is de nadruk die ze legt op de gedachte van het determinisme. We lezen in Caput 83: “Daarom, als zij zeggen dat God voorgaat, dan volgt daaruit noodzakelijkerwijs dat alles door hem gemaakt is, want hij is overal in. Zeker is hij de Heer van het Lot. Is men een begerig iemand of ontuchtig van origine, dan is het door deze geboorte nodig dat God zelf de oorzaak van al het kwade is. Dit is ongehoord….”. Methodius van Olympus (derde eeuw) heeft in zijn werken, met name in het Symposium, ook al het thema van determinisme besproken. In dit geschrift houden tien vrouwen een rede over bepaalde deugden. In Caput 30 wordt de leerrede van Synkletika voor haar toehoorsters voorgesteld als een ‘goddelijk symposium’. 10 maagden vertellen één voor één over een deugd, natuurlijk geënt op Plato’s Symposium.

De invloed van de Vita Antonii op de Vita Syncleticae bestaat uit overeenkomsten in de omstandigheden, zoals een welvarende achtergrond, het weggeven van de bezittingen, het zich terugtrekken uit de ‘wereld’ in een graftombe, en een leerrede. Voor een aantal lezers en afschrijvers was deze vergelijkenis wellicht de reden om de Vita Syncleticae toe te schrijven aan bisschop Athanasius van Alexandrië, de vermeende auteur van de Vita Antonii.

Conclusie

Bijna alles wat gezegd en geschreven wordt over de Vita Syncleticae is speculatief. We baseren ons op één handschrift uit de elfde eeuw. Er zijn 23 handschriften van de Vita bekend, waaronder een paar excerpten. Synkletika’s Vita wordt uitgebreid geciteerd in een monastieke bloemlezing uit de 11de eeuw in Constantinopel, de Synagoge van Paulus van het Evergetis-klooster. Deze bron is erg belangrijk geweest voor het monastieke leven door de eeuwen heen en hij wordt nog steeds gebruikt. Dat de Vita Syncleticae in dit belangrijke werk is opgenomen, betekent dat deze vrij obscure tekst ooit belangrijk en bekend is geweest. Daarom is het een goede zaak om op zoek te gaan naar de oorspronkelijke tekst van de Vita Syncleticae. Wie weet levert het wel andere gegevens op voor het leven van deze ascetische heilige.

Noten

* Voordracht, gegeven in augustus 1994 bij de Kerngroep Vroege Middeleeuwen, bijeenkomst in Utrecht.

1 O. Bernard: Vie de Sainte Synclétique, (Spiritualité Orientale 9), Bellefontaine, 1972.

2 E. Castelli: “Pseudo-Athanasius, The life and Activity of the Holy and Blessed Teacher Syncletica” in Ascetic Behavior in Greco-Roman Antiquity, a Sourcebook, V.L. Wimbush, ed., Minneapolis, 1990 (Studies in Antiquity and Christianity), 265-311.

Advertisements