Ramsay MacMullen: Christianizing the Roman Empire A.D. 100-400

recensie door Robert van Altena

We bevinden ons in het jaar 391. De bisschop van Alexandrië doet, met succes, het verzoek aan keizer Theodosius om de Dionysustempel als kerk te mogen gebruiken. Dit succes grijpt de bisschop aan om aanspraak te maken op alle tempels van Alexandrië. De heidenen reageren hierop door ‘en masse’ het heiligdom van Serapis, het Serapeum, in te nemen. De bisschop, inmiddels verzekerd van keizerlijke steun, maakt gebruik van het provinciale leger om het heiligdom te ontzetten. De strijd is gauw gestreden waarna bevolen wordt om alle tempels te vernielen.

Nog geen honderd jaar waren er verstreken sinds de wreedste christenvervolgingen werden gedecreteerd door Diocletianus (284-305) en de Christenen hun geloof stil moesten houden voor de buitenwereld.

Hoe was het mogelijk dat de christenen aan het begin van de vijfde eeuw de positie bereikt hadden dat zij zich verzekerd wisten van de hulp van de keizer, de Pontifex Maximus van weleer?

MacMullen behandelt in zijn werk Christianizing the Roman Empire A.D. 100-400 de groei van de christelijke kerk. Beter gezegd, hij behandelt de bekeringen die aan de basis lagen van deze expansie. Daarbij stelt de auteur zich ten doel deze te behandelen ‘as seen from the outside’. Daarmee bewandelt hij een nieuwe weg. Het is gebruikelijk de kerk te bestuderen aan de hand van de beschikbare kerkelijke bronnen. Door te pogen de groei van de kerk van buitenaf te bestuderen hoopt hij de fout te voorkomen die velen voor hem hebben begaan. MacMullen is van mening dat er een vertekend beeld is ontstaan in de beschrijving van de kerk door nauw vast te houden aan de geschriften van kerkvaders als Augustinus en Eusebius. Hiermee neemt hij een moeilijke taak op zich.

De bronnen die MacMullen tot zijn beschikking heeft zijn hoofdzakelijk inscripties. Hij stelt zichzelf de vraag: Hoe kon het christendom in het Romeinse Rijk uitgroeien van een onbetekenende sekte naar de staatsgodsdienst? Hij stelt met klem dat hij deze vraag beantwoord wil zien op een historische wijze. Zijn invalshoek is geschiedkundig, niet theologisch of filosofisch.

MacMullen heeft gekozen voor de periode 100-400. In die periode ziet hij zijn vraag beantwoord. De willekeur in deze mooie afgeronde periodisering is slechts schijnbaar. Behalve dat het een mooi rond getal is, kiest MacMullen voor de begindatum 100 omdat de situatie van het christendom allesbehalve benijdenswaardig was in deze tijd. Een kwijnende gemeenschap in vergelijking tot de ‘oude’ godsdiensten. Om kort te gaan: het christendom stelde nog niet veel voor. Vervolgens kiest hij voor het jaar 400 om zijn studie af te ronden. Ook hiervoor geldt dat het een mooi rond getal is maar tevens dat het christendom onder Theodosius inmiddels de positie heeft verkregen van staatsgodsdienst (394 na chr.). Een positie die MacMullen in de jaren daarna geconsolideerd weet. MacMullen maakt natuurlijk een statement met zijn periodisering, die verder reikt. Hij benadrukt ermee dat zijn studie niet is opgebouwd als een aaneenrijging van politieke gebeurtenissen. Gebeurtenissen die de opkomst van het christendom primair zouden beïnvloeden.

MacMullen beziet de door hem behandelde periode als een drieluik: 100-312, 312-380, 380-400. Ondanks de nieuwe blik die hij werpt op de groei van de vroege kerk door deze van buitenaf te bestuderen, sluit hij zich niet aan bij de tendens om de derde eeuw meer gewicht toe te dichten in het proces van deze groei. MacMullen meent niet om de meer traditionele visie heen te kunnen. Hij sluit zich er echter niet klakkeloos bij aan. De traditionele visie houdt in dat Constantijns bekering beschouwd wordt als een religieuze revolutie. MacMullen hecht ook aan de bekering van Constantijn (306-337) die plaatsvond tussen 312 en 324, maar nog meer aan de begunstiging van de christenen door deze keizer. Constantijn die een ambivalente houding aannam door als Pontifex Maximus het hoofd van de oude heidense staatscultus te blijven, toonde zich zeer vrijgevig tegenover de christelijke gemeenschap, en met hem ook andere hoogwaardigheidsbekleders. Hij voelde zich niet alleen van godswege geroepen om de politieke eenheid binnen het rijk, maar ook de religieuze eenheid binnen de kerk te bewaren. Erkenning kwam in de plaats van vervolging. De weg was vrijgemaakt voor een nauwe band tussen kerk en staat. Een band die een ondergeschikte positie inhield voor de kerk ten opzichte van de ‘keizer bij de gratie gods’.

MacMullen maakt van de omslag na 312 het zwaartepunt van zijn studie. Dit lijkt me geheel gerechtvaardigd omdat er eindelijk een duidelijke positie bepaald kan worden voor het christendom. Dit door een toename van wat MacMullen ‘noise’ noemt, van christelijke zijde. De christelijke gemeenschap kan in toenemende mate haar gegroeide zelfvertrouwen eindelijk aan de buitenwereld tonen, ontbloot van repressie van rijkswege. Een enorme toename aan christelijke inscripties na 312 is een bewijs van Constantijns invloed op de mogelijkheid tot groei van de kerk. In 313 werd het christendom volkomen godsdienstvrijheid en gelijkgerechtigdheid verleend middels het Edict van Milaan. De invloed van de christelijke kerk groeide evenredig met de overwinning op Constantijns als laatste overgebleven rivaal Licinius.

MacMullen probeert zoals gezegd een antwoord te vinden op de vraag hoe het christendom zich heeft kunnen ontwikkelen tot de staatsgodsdienst die zij was in 400 na Chr. Hij gaat daarom op zoek naar de manier waarop mensen werden bekeerd tot het christendom. MacMullen beklemtoont een aantal malen in de tekst dat het voor een historicus van groot belang is te proberen in de huid te kruipen van degenen die onderwerp waren van bekering. Dit om te voorkomen ten prooi te vallen aan de eerder genoemde idealisering door een eenzijdig bronnengebruik. Hierom stelt de auteur dat iets slechts ‘historical significance’ heeft als het voldoet aan zijn termen ‘much and many’. Hij bedoelt daarmee dat een gebeurtenis zowel kwalitatief als kwantitatief ‘veel’ mensen moet aangaan, wil het enig historisch gewicht hebben. Met deze verdere beperking in zijn onderzoek naar-en bewijsvoering voor de groei door bekering slaat MacMullen een nieuw pad in. Echter door zijn interpretatie van de term ‘historisch belang’ gaat hij voorbij aan een verdere nuancering waarvan ik hieronder een aantal voorbeelden geef. MacMullen opent een deur en stelt zich daarmee blijkbaar tevreden.

Eerst zal ik verder ingaan op de sub-periodisering van het boek.

In de schaduw van Hades (100-312)

In de periode 100-312 groeit het christendom uit tot circa zes miljoen gelovigen in 312 (een groei van een half miljoen per generatie). Dit is niet meer dan 20% van de totale bevolking. Het christendom Vooral in steden woonden christenen. De steden in het oosten herbergden waarschijnlijk een groter percentage dan de steden in het westen. Het was ook zo dat de bekeerlingen aanvankelijk overwegend bestonden uit vrouwen, kinderen en mensen afkomstig uit de lagere klassen, de lasterpraatjes van de heidense critici waren niet in tegenspraak met de feiten.

De kerk verkeerde in een ondergeschoven positie ten opzichte van de traditionele cultussen en de nieuwere uit het oosten overgewaaide mysteriegodsdiensten. Het bestaan van meerdere goden was algemeen aanvaard. Wel was er in het algemeen aanvaarde beeld van de godenwereld sprake van een duidelijke hiërarchie. In de top zetelde een soort oppergod: “more god in ‘Orwellian’-fashion than others” (blz 12 Christianizing..). In de onderste regionen van de piramide verkeerden de mindere goden, deze over het algemeen negatieve krachten waren de demonen. De goden werden geacht de gelovigen te kunnen bijstaan in ruil voor verering en offers of votiefgeschenken. De goden boden de gelovigen daarvoor veiligheid, voorkennis, goede oogsten en als meest gevraagde gunst, gezondheid. Eenieder stond het vrij een of meerdere goden te aanbidden. Tolerantie was het sleutelwoord.

In de periode 100-312 raakten de ‘oude’ godsdiensten echter langzaam in verval. Het duwtje in de rug die ze hadden ontvangen van Augustus (31 v. Chr.- 14 n. Chr.) was niet voldoende geweest ook al had het zijn uitwerking niet gemist. Hulp, troost en hoop kon de Romein van zijn oude staatsgoden nauwelijks verwachten. Wilden de goden nog vertrouwen wekken dan moesten ze veranderen. Dit gebeurde ook, vooral in de provincies en in de derde eeuw alom onder invloed van buiten. Een andere steeds meer gekozen weg was zich rechtstreeks te richten tot de nieuwe goden (Constantijn aanbad de Sol Invictus).

Het waren vooral de oriëntaalse mysteriegodsdiensten die in Rome, Italië en de provincies zegevierden op de ‘oude’ goden. Tiberius (14-37 n. Chr.) was de laatste die de priesters van deze godsdiensten liet vervolgen. Keizers lieten zichzelf inwijden in de nieuwe godsdiensten. Evenals bij het christendom moeten de gelovigen aanvankelijk in de nederigste kringen gezocht worden. Dat deze mysteriegodsdiensten alleen openstonden voor mannen vormt mogelijk de belangrijkste reden waarom deze heilsgodsdiensten het tegen het christendom, hun gevaarlijkste concurrent, hebben moeten afleggen.

Hoewel de christenen niet met open armen ontvangen werden en zelfs van tijd tot tijd vervolgd werden, waren er voor het christendom toch positieve ontwikkelingen gaande ver onder de oppervlakte, evenwel nog lang niet kenbaar voor de tijdgenoten.

Hoe werden de mensen nu bekeerd tot het christendom? MacMullen is van mening dat in deze periode de bekeringen hoofdzakelijk werden veroorzaakt door verrichte wonderen en exorcismen. In de post-Paulinische periode is er volgens MacMullen geen sprake van zendingsactiviteiten door de christenen. Dit zou ook ridicuul zijn vindt de auteur, daar het eenvoudigweg te gevaarlijk was het woord te verspreiden in een vijandige omgeving. De vijandigheid jegens de christenen kwam deels voort uit hun eigen exclusieve houding. Zij waren monotheïstisch en degradeerden de goden van alle andere godsdiensten tot ‘daimones’. Dit waren in het dualistische wereldbeeld van de christenen minderwaardige kwade geesten, helpers van de duivel. MacMullen is van mening dat de christenen het bestaan van deze goden aanvankelijk helemaal ontkenden maar dat zij voor de heidense druk zijn gezwicht. Een visie die bij mij grote vraagtekens oproept. MacMullen spreekt zich hier verder niet over uit.

Heidenen waren bekend met wonderen en exorcismen, waardoor het des te aannemelijker wordt voor MacMullen dat ook zij door wonderen en exorcismen werden bekeerd tot het christendom. Hij acht het onwaarschijnlijk dat de heidenen met nieuwe middelen bekeerd werden tot een nieuw geloof.

De christelijke geschriften van bijvoorbeeld de apologeten waren gericht op de eigen gemeenschap. Bovendien was het analfabetisme groot. De christenen waren erg op zichzelf gericht, zij speelden volgens MacMullen alleen een rol in de maatschappij om hun brood te verdienen. Als gemeenschap sloten zij zich af.

MacMullen haalt ten bewijzen van zijn stelling bekeringen door wonderen en exorcismen Athanasius’ (circa 295-373) levensbeschrijving van de heilige Antonius aan. “We overtuigen,” zegt Athanasius, “omdat mensen eerst geloven in wat ze daadwerkelijk zien, pas daarna in beredeneerde argumenten.” (Christianizing, 112). MacMullen weet mij niet geheel te overtuigen van zijn visie. De scheidslijn tussen de christenen en de heidenen was groot. Nieuwsgierigheid alleen was niet voldoende om deze barrière te overbruggen, “to cross it required a conscious decision.” (Christianizing, 104). Voor Constantijn, meent MacMullen, moest de kerk tegemoetkomen aan nieuwsgierige heidenen. De stap om mensen voor het geloof binnen te halen was door het christendom overgenomen uit het jodendom. De christenen hadden deze taak nog serieuzer genomen dan de joden. Dit alles wijst erop dat missie toch een belangrijke factor was in het bekeren van heidenen. MacMullen, weten we, verwerpt dit door te wijzen op de anti-christelijke houding die de missie te gevaarlijk maakt. Het bewijs voor deze vorm van bekering acht MacMullen niet betrouwbaar genoeg. Hoe is het dan gesteld met het bewijs voor MacMullens stelling? Robin Lane Fox is in zijn studie over het heidendom en het vroege christendom De droom van Constantijn (1986) een andere mening toegedaan dan MacMullen. Jezus uit de Evangeliën wordt door Fox de grondlegger van de kunst van het exorcisme genoemd (De droom van Constantijn, 311). Hij stelt zich letterlijk de vraag: “Wisten deze exorcismen veel nieuwe bekeerlingen te winnen?” (idem, 312) Uiteindelijk komt hij tot de conclusie dat tussen de tijd der apostelen en de vierde eeuw na Christus (de periode die MacMullen behandelt in het eerste deel van zijn drieluik) er geen historische gevallen bekend zijn van wonderen of geestesbezweringen die een individu, laat staan een hele menigte, tot het christelijk geloof bekeerden. De Handelingen maken dan wel melding van tekenen en wonderen die de apostelen verrichten, het zijn geen historische teksten. Deze teksten waren erop gericht indruk te maken op christelijke lezers, niet om heidenen te bekeren. Verhalen van geslaagde geestesbezweringen zijn wel bekend. Deze werden evenwel toegeschreven aan een christelijke ketter teneinde hem in diskrediet te brengen. Waarschijnlijk werd het niet als een fatsoenlijk motief beschouwd om tot de kerk toe te treden. MacMullens afwijzing van de bekering tot het christendom door overtuiging en overreding acht ik niet afdoende.

“De droom van Constantijn” (312-380)

MacMullen ziet in het middenstuk de belangrijkste oorzaken van de verbreiding van het christendom in de patronage van Constantijn en de zijnen naast de exorcismen en wonderen. Bijgestaan door kerkvader Eusebius bloeit het christendom op, om niet meer te verdwijnen. Door het bestuurssysteem weet het zich stevig in de samenleving genesteld. De omslag van een positie van verdrukking naar de positie van meest begunstigde zorgt voor interne problemen. Door de duidelijke organisatie weet de kerk deze interne strijd te boven te komen zodat zij zich het laatste deel van de vierde eeuw, de periode 380-400 met alle kracht naar buiten kan richten om haar positie te verstevigen ten opzichte van de concurrentie. Een positie sterk genoeg om een groot heiligdom als het Serapeum aan heidense handen te ontwrikken. Deze periode wordt gekenmerkt door dwang en geweld jegens niet-christenen onder leiding van bisschoppen.

MacMullen ziet het zwaartepunt van zijn studie in de periode na 312. Een periode waarin de bewijzen van de groei van het christendom beter voorhanden zijn, omdat de christenen eenvoudigweg niet meer vervolgd worden, nee zelfs begunstigd. Concluderend kan ik zeggen dat MacMullen mij niet geheel heeft weten te overtuigen met de door hem aangedragen bewijzen en dit met name over de periode 100-312, waaraan ik dan ook de meeste aandacht heb besteed. Hoewel ik de waarde van zijn stelling inzie, zijn zijn conclusies met betrekking tot deze periode zo nu en dan arbitrair, zoals ik al in de tekst heb aangegeven. MacMullen heeft zich allerlei beperkingen opgelegd die een compleet beeld van de groei van de kerk belemmeren. De invloed van de kerkelijke organisatie, de kerkvaders en de natuurlijke groei van de kerk laat MacMullen buiten beschouwing. Dit motiveert hij in zijn inleiding door uit te gaan van een nieuw standpunt. Hij bekijkt de kerk van buitenaf, hierbij betrekt hij ook de ‘gewone’ mensen. Zijn beperking is hier deels een verrijking. Deze gaat wel ten koste van een compleet beeld maar als aanvulling op bestaande studies die een meer conventionele benaderingswijze ten grondslag hebben, is deze studie zeer geslaagd.

MacMullen maakt echter geen melding van de verbreiding van het christendom door, laten we zeggen, ‘mond tot mond’ reklame. Hij schrijft over het verbod op gemengde huwelijken binnen de christelijke gemeenschap, maar deze kwamen wel zeker voor. Een bekend voorbeeld hiervan is de kerkvader Augustinus (354-430): zijn vader was een heiden en zijn moeder een vrome christin, die haar zoon maar wat graag tot het christendom bekeerd wilde zien.

Tot slot: een nieuw standpunt betekent niet automatisch een verbetering. MacMullen gaat met zijn studie de confrontatie aan met andere, oudere opvattingen. De discussie die hieruit ontstaat kan leiden tot nieuwe, verbeterde inzichten. Door de groei van de vroege kerk van buitenaf te bekijken, en in plaats van zich te laten misleiden door de geaccepteerde ‘geïdealiseerde’ visie bestudeert MacMullen het probleem van onderop. Hij betrekt het gewone volk in zijn studie. Ik ben van mening dat MacMullens onderzoek een positieve bijdrage levert aan deze discussie.

Literatuur

Boorstin, Daniel. De scheppende mens. Artistieke doorbraken in de wereldgeschiedenis (New York 1992).

Fox, Robin Lane. De droom van Constantijn. Heidenen en christenen in het Romeinse Rijk (London 1986).

Wes, M.A., H.S. Versnel, E.Ch.L. van der Vliet. De wereld van de oudheid (Groningen 1978).

Elliot, T.G. ‘Christianizing the Roman Empire (A.D. 100-400)’, Phoenix Book reviews (1986) 235-238.

Simon, M. ‘Christianizing the Roman Empire (A.D. 100-400)’, Latomus. Notices bibliografiques (1988) 237-238.

Advertisements