De dodelijke mythen rond Bosnië-Hercegowina

door André de Raaij

Het erkennen van het recht op afscheiding uit Joegoslavië betekende al voordat deze federatieve republiek uiteenviel het doodvonnis voor de deelstaat Bosnië-Hercegowina. Als het Kroaten, Serviërs en moslims volgens de internationale gemeenschap zichtbaar onmogelijk was verder samen te leven in Joegoslavië, dan was er geen reden optimistisch te zijn over de toekomst van Bosnië-Hercegovina, waar deze “onmogelijke” combinatie zich zou voordoen. De politieke tragedie heeft zich voor ieders ogen afgespeeld: binnen de Joegoslavische federatie blijven zou voor Bosnië partij kiezen voor Servië betekenen, want dit land domineerde in het restant van Joegoslavië, na het wegvallen van Slovenië en Kroatië. En waartoe het kiezen voor onafhankelijkheid zou leiden is de tragedie die zich nog dagelijks voor een steeds minder geïnteresseerd publiek in de media afspeelt.

Tegenover Bosnië (kortheidshalve noem ik het land verder zo) wordt meer nog dan tegenover Joegoslavië een absurd fatalisme gekoesterd. Joegoslavië heet plotseling volgens de communis opinio al “eigenlijk van begin af aan niet levensvatbaar”, Bosnië heeft volgens dezelfde opinie in feite nooit bestaan. En met terugwerkende kracht worden de Slavische volkeren van het Balkan-schiereiland tot in de vroege Middeleeuwen als elkaars verklaarde doodsvijanden afgeschilderd. Slechts Byzantijnen, Hongaren, Oostenrijkers, Turken, royalisten en communisten hebben weten tegen te houden wat zich nu onweerstaanbaar als in gehoorzaamheid aan oerdriften baanbreekt: de onwenselijkheid dat katholieken, islamieten en orthodoxen in hetzelfde huizenblok zouden wonen. Wat in de wereld van de NAVO-leden als fascistoïde opinie geldt wordt aan “die mensen” op het Balkan-schiereiland als een soort ongeneeslijke ziekte toegeschreven. Waarbij er gemakshalve aan voorbijgegaan wordt dat velen in Joegoslavië nooit gewild hebben dat dit land op deze wijze uiteen zou vallen, en dat tot vandaag aan toe de regering van Bosnië het ideaal koestert van een onverdeeld samenleven van alle geloven of nationaliteiten in één onverdeeld land. Dit laatste wordt door de media eenvoudig glashard weggepoetst: de Bosnische regering, dat zijn “de moslims”, eventueel in federatief verband met “de Kroaten”. Dat de meerderheid van de islamitische Bosniërs (om van de katholieke en orthodoxe even te zwijgen) waarschijnlijk nog steeds voor de eigen multiculturele samenleving zou kiezen, als haar daartoe de vrijheid werd gelaten, wordt met deze mediabezweringen niet eens voor kennisgeving aangenomen. Het wordt met deze naamgeving geheel ontkend. (Een vergelijkbare manipulatie is de vereenzelviging van “Bosniërs” met “moslims”, als derde partij naast Kroaten en Serviërs).

In de huidige oorlog wordt met veel geroffel op eigen borstkassen een beroep gedaan op “De Geschiedenis” — als er al geen glorieus middeleeuws Kroatië geweest is dat de huidige apartheidrepubliek van Zagreb moet legitimeren, dan is het heldhaftige Servië schitterend ten onder gegaan in 1389 bij de slag tegen de Turken in Kosovo (meteen ook een mooie legitimatie voor het Servische apartheidsregime tegen de Albanezen). Bij het tevoorschijntoveren van deze dubieuze historische kadavers wordt er aan voorbijgegaan dat Bosnië al sinds de twaalfde eeuw bestond als onafhankelijk land, en dat de grenzen van het huidige “onbestaanbare” land al sinds de veertiende eeuw ongeveer de huidige trekken hebben. In 1180 was het definitief gedaan met de Byzantijnse suzereiniteit over Bosnië, hierna eiste Hongarije de rol van overheerser op. In de praktijk is Hongarije deze rol blijven eisen tot de Turkse tijd, maar Bosnië bleef in feite onafhankelijk – pas in 1878 zou het alsnog even zijn zin krijgen.

Een continuïteit in het bestaan van Bosnië past niet in de met automatische geweren versterkte vertogen van Kroaten, Serviërs en — ze zijn er wel degelijk, en het steeds apart vermelden werkt als een zich waarmakende voorspelling — radicale moslims. Toch is deze continuïteit er, en de enige manier om haar te ontkennen is de grootscheepse toepassing van geweld, en dit is precies wat er gebeurt. Er zijn in Europa heel wat landen die korter bestaan dan sinds 1180, en die niet tot doodgeboren kindjes worden verklaard.

Het belangrijkste dynamiet onder Bosnië als zelfstandige staat is de negentiende-eeuwse ontdekking van de Kroatische respectievelijk de Servische nationaliteit. Er waren (en zijn, ook al proberen de regimes er nu “iets aan te doen”) geen taalverschillen tussen beide volken, dus is de identificatie rooms-katholiek = Kroatisch en orthodox = Servisch het eenvoudigst. En wat is nu de op middeleeuwse geschiedenismythen gebaseerde “identiteit” van de moslims? Hier wordt tot op het hoogste (regerings)niveau het romantische verhaal gekoesterd van de onverzettelijke Bogomielen die liever Turks dan paaps werden. Dat het bogomilisme zo zou zijn aangeslagen in Bosnië is een verhaal dat ook niet de minsten onder de byzantinologen, bijvoorbeeld Steven Runciman, doorvertellen. Dit kan bij de gratie van het feit dat er zo weinig bekend is over de kerstening van Bosnië. De autocefale Bosnische Kerk, waartegen op verzoek van Hongarije zelfs kruistochten zijn ondernomen, wordt gemakshalve als bogomilisch aangeduid. Volgens Donia en Fine, wier betoog ik hier parafraseer, is dit zeker onjuist, en is iedere veronderstelling over massale aanhang van bogomielen en daaropvolgende bekering tot de islam evenzeer onjuist. Het enige dat met zekerheid te zeggen valt is dat het christendom tot de Turkse verovering (1463-1481) nog geen grote vorderingen had gemaakt in het moeilijk toegankelijk berggebied van Bosnië. Veel bekeringswerk is gedaan door franciscaner monniken, wier geestelijke nazaten nu “dus” als vanzelfsprekend tot Kroaten verklaard worden. De monniken zijn er nog steeds en hebben een rol gespeeld bij het ontstaan van de Kroatische mythe in de vorige eeuw, maar wijzen nu de oorlog af.

Er waren niet veel kloosters in Bosnië tot 1463. De autocefale kerk is onder het Turkse bewind verdwenen, maar hieruit concluderen dat haar aanhang en masse islamitisch is geworden is niet gewettigd. Vele leden van deze Kerk zijn rooms-katholiek of orthodox geworden, de opvallende aanwezigheid van een grote groep islamieten in Bosnië kan eerder verklaard worden uit sociale factoren. De islam heeft trouwens ook niet een diepe indruk gemaakt op de Bosniërs, evenmin als het christendom. Tolerantie is, betogen Donia en Fine, van oudsher het kenmerk geweest van de Bosnische samenleving.

Zij weten dit alleszins aannemelijk te maken in Bosnia and Hercegovina: a tradition betrayed, maar de verklaring blijft uit hoe het komt dat dit land nu juist het treurige voorbeeld van gebrek aan tolerantie is, hoe het kon worden tot het strijdtoneel van de zwaarste Europese oorlog sinds 1945. Dat het uiteenvallen van Joegoslavië en daarmee de Bosnische oorlog vermijdbaar is geweest staat vast. Het is nu helaas te laat. Belangrijk is dat de mythen over het verleden (“De Geschiedenis” zullen de mythomanen zeggen, maar dat is te veel eer) worden bestreden. Hiertoe bieden Donia en Fine goed en overtuigend materiaal dat een betere verspreiding verdient.

Literatuur

Robert J. Donia & John V.A. Fine Jr., Bosnia and Hercegovina: a tradition betrayed. London: Hurst and Company, 1994.

Advertisements