Heer, maak het stil in mijn hart: impressies van een Syrisch-katholiek klooster

door André de Raaij

In de wegenatlas van de Australische rugzakgidsenuitgeverij Lonely Planet staat het punt aangegeven als ruïne midden in het land, en eigenlijk moet men dit ook vooral blijven denken: Mar Mousa, ten oosten van de stad An Nabk kan en moet geen trekpleister worden voor mensen die een goedkoop logement zoeken in de woestijn. De ruïne ligt ruim een uur lopen langs een ezelpaadje door de bergen, vanaf een weg wel te verstaan die de naam ook niet verdient: meermalen kruist men een wadi die in de winter wellicht niet eens per auto te passeren is.

De belangrijkste indruk die ik heb overgehouden van het Syrische platteland (ik zou het beter de buitenstedelijke ruimte noemen, want “platteland” is zo’n aartsnederlands begrip dat niet past bij een land met veel heuvels en bergen) is: stilte en rust. In Nederland, en elders in West-Europa is de akoestische vervuiling van het autoverkeer alomtegenwoordig als voortdurende ruis. In Syrië is de situatie ongeveer andersom, vooral omdat automobilisten in de stad steeds willen laten horen dat ze op de weg zijn door middel van hun claxon. Wat is Amsterdam rustig, wat is het Nederlandse platteland druk.

Stilte als daadwerkelijk ontbreken van geluid kan alleen absoluut zijn, en is als zodanig een ontmoeting met het goddelijke. Kierkegaard wijst hier bijvoorbeeld op in verscheidene theologische geschriften. Maar een dergelijke ontmoeting met het absolute kan voor ons sterfelijke aardbewoners alleen maar zeer kortstondig zijn. Zij moet ook noodzakelijk reliëf krijgen door stiltedoorbrekend geluid. In de bergen of velden van Syrië is dat meestal een bromvlieg of een vogel (leeuwerik, bonte kraai, zelfs een zwerm gieren – maar die heb ik niet gehoord). Of het ruisen van gras of gewas. Stilte kan niet in gradaties uitgedrukt worden. De weg naar Mar Mousa is al stil, maar ‘s avonds of ‘s nachts – als ook vogels en insekten zich rustig houden – wordt de stilte alleen doorbroken door een enkele tinkelende geitenbel of een huilende hond. Een volmaakte plaats om de juiste stilte te ontmoeten.

Overdag, dient gezegd, is het merkwaardige klooster juist vol bedrijvigheid. Enkele nonnen afkomstig uit Italië hebben de geitenteelt professioneel ter hand genomen. Er is een kaasmakerij waar de dagelijkse melkgift wordt verwerkt voor eigen gebruik. Bij iedere maaltijd eet men zuivel afkomstig van de eigen kudde. In de kaasmakerij staat het enige elektrische apparaat dat op gangbare spanning werkt: zo’n blauw licht uitstralende staaf die insekten aanlokt en de diertjes afmaakt. In de kaasmakerij merk je dat dit gepaard gaat met een ploffend geluid, dat te vaak de rust doorbreekt – zo mag een vlieg eigenlijk niet de stilte doorbreken, het kwetst vlieg en stilte. Er is sprake van dat de capaciteit van het aggregaat wordt opgevoerd en dat er een koelkast in de kaasmakerij kan komen, moge dit snel gebeuren.

Het tinkelen van de bellen is nooit ver weg overdag, ook al worden de geiten in de bergen in de ruime omgeving gehoed. Stallen en verblijven van monniken en nonnen staan verspreid tegen de berg op. Sommige kluizen zijn tegen de rotsen aangebouwd met de stenen van de berg als deel van een muur. Een uit Irak afkomstige inmiddels uitgetreden monnik laat ons zijn verblijf zien – bereikbaar na een steile klim, net nog enigszins comfortabel en in ieder geval ook binnen de opstelling van het klooster afgezonderd.

Men moet zich bij de woorden “monniken” en “nonnen” niet mensen voorstellen in het uniform van de habijt. Tijdens de gebedsdiensten draagt men wel een pij, maar verder zijn de leden van deze gemengde communauteit uiterlijk niet te onderscheiden van “gewone wereldlingen”. U heeft intussen wel begrepen dat de ruïne zoals in het begin vermeld volop bewoond is. Waarom wordt het dan aangegeven als ruïne?

Het eenvoudige antwoord is, dat het kerkgebouw en het oorspronkelijke klooster dit ook waren, in de loop van deze eeuw overgegeven aan de elementen en geregeld in bezit genomen door langstrekkende herders, bezocht door rovers die de religieuze kunstuitingen al dan niet met sukses kwamen halen, of passanten die graffitti kwamen aanbrengen. Al deze sporen zijn terug te vinden in de kerk, die echter sinds 1983 weer in gebruik is genomen, op initiatief van een Italiaanse en een Zwitserse monnik die al spoedig versterking kregen. Van buiten is er niet meer te merken dat het klooster een ruïne geweest is. In de kerk zijn er de al genoemde sporen die echter het door de tijd beproefde karakter van de ruimte onderstrepen: de oudste schilderingen dateren van de dertiende eeuw, als ik het mij goed herinner.

Zoals gebruikelijk in Syrische boerenwoningen neemt men in de kerk plaats op de grond, die hier gedekt is door huiden van geiten uit eigen kudde. Als wij het klooster bezoeken is het volgens de Gregoriaanse kalender Pinksteren, en in de Syrisch-katholieke kerk houdt men deze tijdrekening aan. Er zijn twee gebedsdiensten van een uur per dag, om praktische redenen, men kan immers de geiten niet alleen laten of steeds naar de stal laten lopen. Maar de vespers voor Pinksteren duren veel langer dan een uur. De dienst gaat merkwaardig informeel, kloosterlingen knikken naar elkaar of praten over hoe de dienst verder gaat (die indruk wekken zij althans). Gezang wordt soms omlijst met een trommel en een eenvoudig snaarinstrument. De dienst is in het Arabisch, de niet-Arabischtaligen worden uitgenodigd in hun eigen taal een gebedsintentie te laten horen, de Pinkstergeest zal wel voor de vertalingen zorgen, verzekert de abt in het Engels. Ook schriftlezing vindt gedeeltelijk in de eigen taal van de gasten plaats. Zoals altijd ben ik net te laat om het woord te nemen in het grote gezelschap. Mijn luid bonzende hart moet eerst de ergernis over het gebruik van de term Jahweh in de verstaanbare bijbellezing verdragen, en de lichte angst terwille van A. die na de lange tocht hierheen als diabete meer dan anderen allang aan voedsel toe moet zijn – wat een lange dienst op den duur tot een bijna onaanvaardbare oefening in versterving maakt. Zij weet tenslotte weg te sluipen (de lage deuropeningen laten geen andere beschrijvende term toe) naar de keuken. Mijn intentie, naar Kierkegaard of Serge Bolshakoff: Heer, maak het stil in mijn hart. Dit lukt later wel, de omgeving helpt vanzelf.

Veel in Syrië blijkt uit te nodigen tot persoonlijke herkerstening, ook al zou men dit wellicht niet denken omdat de meeste mensen het land met Islam zullen identificeren. Niet dat dit laatste ongerechtvaardigd is, maar er is zeker zoveel dat blijvend verwijst naar Christendom en Jodendom. Wij komen hierop terug. Als wij vertrekken van het klooster lopen twee mannen ons tegemoet aan de overkant van de wadi waarlangs het ezelpad voert. Zij groeten niet, zoals men zou verwachten hier in de verlatenheid. Zwijgend en misschien wel gegeneerd maken zij rechtsomkeert en lopen zo snel weg dat ze al gauw uit het zicht zijn. Hoe geheim moet geheime politie zijn?

Het klooster Mar Mousa zij rust toegewenst, afwezigheid van aandacht van geheime politie en rugzaktoerisme, een ruimere elektriciteitsvoorziening en de kracht om door te zetten. En misschien vrijwaring van aardbevingen, al is de leeftijd van het hoofdgebouw indrukwekkend genoeg – maar weten kan men het niet.

Literatuur

Erica Cruikshank Dodd: ‘The monastery of Mar Musa Al-Habashi, near Nebek, Syria’, in: Arte medievale (1992), p. 61-102.

Advertisements