De Bijbel als reisgids voor Turkije?

door André de Raaij

Een beschouwing naar aanleiding van:

Met de Bijbel door Turkije: op zoek naar christenen van vroeger en nu / Reinier van den Berg. Zoetermeer: Boekencentrum, 1994

Het tweede Heilige Land, na Israël, zo noemt emeritus-predikant Reinier van den Berg de huidige republiek Turkije (pag.7, 9). Er zou wat voor te zeggen zijn, als niet Syrië, Jordanië, Libanon en zelfs Irak en Egypte niet evenzeer aanspraak konden maken op deze kwalificatie. Deze hedendaagse staten spelen vooral een rol in wat christenen het Oude Testament believen te noemen, en nauwelijks in het Nieuwe — maar het is toch een verwijtbaar anachronistische redenering om de hedendaagse Turkse Republiek op dit punt een tweede plaats te gunnen (gesteld dat er al een wedstrijd gehouden zou moeten worden). Van de tijd van Alexander de Grote tot het einde van de Eerste Wereldoorlog zijn de genoemde gebieden in één, hooguit twee staatkundig verbanden opgenomen geweest, waarvan “ons” Byzantijnse Rijk niet het onbelangrijkste was. Pas zo’n tien eeuwen na de tijd waarnaar het Nieuwe Testament verwijst verschijnen de Turkse nomadische stammen in de onderhavige streken. Turkije als “heilig land”, dat riekt nogal naar een verkooptruc die het herkomstland van gastarbeider/medelander/allochtoon een zekere glans moet geven, en daarmee de medemens — en dergelijke verbanden zouden ook niet impliciet gesuggereerd moeten worden. Klein-Azië of Anatolië als tweede Heilig Land — dat kan, als men echt zo wil redeneren, maar Turkije — neen.

Van den Berg vermeldt niet nader gespecificeerde “Turkse geleerden” die suggereren dat de Turkse naam Anadolu voor Anatolië zou zijn afgeleid van het Turkse woord ana, moeder, en dan zou het zoiets als “nageslacht van de Moedergodin” kunnen betekenen. Vertederend naief, zo zou men de welwillendheid om deze onzin zelfs maar te noemen, op zijn best kunnen kwalificeren (p. 9: “Hoe het ook zij, Anatolië is..”). “Anatolia”, Grieks voor “land van de rijzende zon, het oosten” is zo’n volstrekt heldere naam dat men er bijna iets achter zou zoeken — maar als men dat deed dan zou het Turks ons zeker niet helpen, om de al vermelde reden dat er nog niet zo lang Turken in Turkije wonen. Van den Berg trapt hier in de val die “geleerden” in alle opvolgerstaten van het Osmaanse Rijk, van Boekarest tot Algiers, opstellen: het uitvinden van een glorieus nationaal verleden en — in het geval van de huidige republieken Turkije en Griekenland — op de doorzichtigste manieren de geschiedenis van een wisselwerking te ontkennen. In deze “opvolgerstaten” is geen ruimte voor onafhankelijk historisch onderzoek, hoe graag men het elders misschien anders zou willen zien.

En over onafhankelijkheid gesproken: het is aardig te vernemen dat de gereformeerde emeritus-predikant Van den Berg een “modern-kritische” houding aanneemt tegen de eerste hoofdstukken van Genesis. Deze zijn aan de orde, omdat de traditie de hof van Eden in Mesopotamië plaatst, en Gen. 8:4 laat de ark van Noach op de bergen van Ararat vastlopen. Men moet dit niet als een historisch verslag zien. Maar deze kritische zin is plotseling niet meer nodig als Haran (Gen. 11:31) vereenzelvigd wordt met Altõnbasak, ook wel genaamd Harran, gelegen ten zuidoosten van Urfa bij de Syrische grens (p.26) — maar gezegd dient te worden dat Van den Berg hier in commissie “zondigt”: er is op dit punt een nieuwe traditie. Al even onkritisch — dit is beter te verklaren, en wellicht te vergoeilijken — is Van den Berg over de schildering van de erediensten van “concurrerende” mysteriegodsdiensten uit de Romeinse keizertijd als gepaard gaande met bandeloosheid (p.58; roes, extase, verdoving en sex op heidense feesten — je zou het gaan zien als reclame, p.90). In navolging van de apostelen die in de kanonieke boeken aan het woord komen kan men de concurrentie van toen natuurlijk wel makkelijk als onzegbaar liederlijk afdoen. Dat kan men zelfs met de concurrentie van nu doen. In de praktijk zou het nog wel eens behoorlijk ingetogen toegegaan kunnen zijn, maar nu eenmaal anders…

Dat Abram door de Heer geroepen werd in een thans Koerdisch plaatsje bij de Turks-Syrische grens is misschien een aardig succesje voor de toeristenindustrie. Er dient meteen bij gezegd te worden dat het nu niet raadzaam is deze streken te bezoeken, als het al mogelijk is. Misschien heeft het uitgevonden bijbelse verleden van dit vlekje ervoor gezorgd dat het niet als zovele dorpen met de grond gelijkgemaakt is in de uitzichtloze burgeroorlog.

Dat Turkse namen niet altijd goed gespeld zijn hoeft niet aan onwetendheid of onkunde bij de schrijver te liggen, hier kunnen zettersproblemen een rol spelen. Maar onvergeeflijk is het tot twee keer toe signaleren van een belangrijke “Rooms-Katholieke” kerk in Antiochië (Antakya, Hatay; p.47). Hier wordt de Roem-Katholieke Kerk bedoeld, de Grieks-Katholieke dus ofwel de geünieerde, die als men haar bezoekt intussen Turks-katholiek blijkt te heten, omdat “Roem”, Grieks dus, niet graag gezien of gehoord wordt. Weer laten kennis van de recente geschiedenis en inlevingsvermogen het afweten: Hatay is door het Franse mandaatbestuur van Syrië aan Turkije uitgedeeld om de neutraliteit van dit land te “kopen”, toen de Tweede Wereldoorlog al dreigde. De in meerderheid Arabische bevolking van dit gebied mocht dit in een vervalst referendum goedkeuren. Van den Berg toont niet zich bewust te zijn van de bijzondere achtergrond van deze streek. Zo is het ook pijnlijk het eiland Patmos (van de Openbaring van Johannes) gemakshalve bij Turkije gerekend te zien (p.82). Op die manier wordt Turkije wel heel makkelijk een tweede Heilig Land — NAVO-bondgenoten Griekenland en Turkije hebben wel om een kleiner eiland aan de rand van een oorlog gestaan! En het is verleidelijk te stellen dat Constantinopel sinds 1453 Istanboel heet (p.89), maar in feite dateert de officiële naamsverandering van na de grote etnische zuivering tegen de Grieken van 1922-1924.1

In Efeze valt aan veel uit het verleden te denken, bijvoorbeeld dat Paulus hier het Evangelie heeft verkondigd (p.86-87). Misschien zou het voor de gemiddelde niet dogmatiek geschoolde lezer(es) verhelderend zijn geweest hier voor de zekerheid bij te vermelden dat met dit Evangelie het Woord van het “Oude Testament” wordt bedoeld, hoe verwarrend dit ook moge klinken. Er is in deze indrukwekkende ruïnestad slechts één mogelijk naar het vroegste christendom verwijzende inscriptie — dat Maria, moeder van Jezus, hier overleden zou zijn is meer dan aanvechtbaar en het verhaal kan in ieder geval niet met de bijbel in de hand verteld worden. Indrukwekkender is de grot van de zeven slapers, terzijde van de grote stad en de toeristische paden — al evenmin bestand tegen historische kritiek maar duidelijker verbonden met de vroege christelijke geschiedenis van Efeze. Van den Berg vermeldt grot en historie niet, wel — terecht natuurlijk — de Byzantijnse kerken in het huidige Selçuk, iets landinwaarts van Efeze.

Het zijn de minsten niet die beweren dat de islam in Bosnië een voortzetting is van het bogomilisme (zie Gouden Hoorn 3.1), dus wij zullen dit Van den Berg niet aanrekenen (p.116). En misschien is een zeker medeleven met of empathie voor de niet-gereformeerde christenen en hun lot in deze rampzalige eeuw niet verplicht, en kan men er maar beter wat omheen draaien, wat met de Armeniërs moeilijker gaat dan met de Grieks-orthodoxen (die zijn vertrokken of uitgewisseld). Nogmaals zal het onwetendheid over de moderne geschiedenis zijn die Van den Berg over het hoofd doet zien dat de Syrisch-orthodoxen in 1915 ook massaal gedeporteerd en vermoord zijn, en dat hij hun geen nationale aspiraties toedicht (p.116). Laat het de Syrisch-orthodoxen die zich als enige echte nazaten van de Assyriërs presenteren maar niet horen, en trouwens: de Entente was zeer gul met het uitdelen van nationale tehuizen ten koste van het Osmaanse rijk — ook aan de Syrisch-orthodoxen, ook aan de Koerden, en ze zijn er niet gekomen. De wrange gevolgen van deze oorlogspolitiek met koloniale kleur zijn tachtig jaar later dagelijkse realiteit, ter plaatse en in de diaspora. De Kerk van het Oosten “Assyrisch-orthodox” noemen getuigt niet van zorgvuldigheid of inlevingsvermogen, maar Hakkâri, daar zal Van den Berg niet geweest zijn, zelfs niet in de tijd toen allerlei andere streken nog bezocht konden worden: het heeft altijd als gevaarlijk terrein voor (doorgaande) reizigers gegolden.

U zult begrijpen: ik had liever gezien dat Van den Berg zich strikt aan de hoofdtitel van zijn boek had gehouden, want hij weet toch wel sterk de indruk te wekken dat de zoektocht naar de christenen van nu in het huidige Turkije een te zware taak is geweest.

1 Bij VdB droogjes weergegeven met: “Van het oude Smyrna is bijna niets meer over, omdat in 1922 de stad totaal in de as werd gelegd.” (p.92). respectievelijk: “Tot 1924 woonden in het dal van Göreme nog steeds Grieks-orthodoxe monniken.” (p.108).

Advertisements