Verdeeld en heilig: onredelijkheid en rede rond Jeruzalem

door André de Raaij

Centraal in de nieuwste verwikkelingen in Israël/Palestina, en naar het lijkt een van de grootste obstakels voor een vredesverdrag zijn de aanspraken op het heilige Jeruzalem. De drie verwante monotheïstische godsdiensten beschouwen de stad alle drie als onontkoombaar heilige stad, hetgeen blijkbaar staatkundige consequenties moet hebben. De Britse historicus Bernard Wasserstein publiceerde onlangs Divided Jerusalem: the struggle for the holy city (Yale University Press), waarin hij de wisselvalligheden van deze geschiedenis volgt. Een poging tot samenvatting van zijn betoog.

Na de opstand en de verwoesting van de Tempel werd het joden verboden in Jeruzalem te wonen. Misschien zijn er in Palestina wel joden blijven wonen in deze periode, maar in ieder geval niet in Jeruzalem. Er kwamen wel pelgrims. Pas na de eerste verovering door de Arabieren in 638 kwamen er weer joden wonen – bronnen getuigen van armenzorg vanuit Egypte, Syrië en Sicilië. Onder het kruisvaardersbewind werden zij uit de stad geweerd (1099-1260). Na de Arabische herovering bleef hun positie precair, door de houding van de christenen. Pas de verovering door de Ottomanen in 1516 maakte een einde aan de onzekerheid van een voortbestaande gemeenschap. Hoe belangrijk Jeruzalem ook mag zijn in de joodse religie, wonen in de stad leek niet belangrijk. Het hemelse Jeruzalem was belangrijker dan die middelgrote wereldse stad. In de Ottomaanse tijd kwam de joodse bevolking zeker niet boven de tien procent. Safed was het belangrijkste joodse centrum in Palestina gedurende het grootste deel van het afgelopen millennium.

Ook na de opkomst van het zionisme werd aan het bezit van deze stad voor een op te richten joodse staat weinig of geen belang gehecht. Jeruzalem stond voor obscurantisme, religiositeit en viezige armoede, en er is nog niet veel veranderd in dit opzicht wat betreft de joodse bevolking.

Door de genocide (1939-1945) is het verzet tegen het zionisme uit orthodox-joodse hoek grotendeels weggevallen, maar de liefde voor het aardse Jeruzalem bleef op zijn minst dubbelzinnig. Pas de verovering van de oude stad in 1967 maakte van het staatkundige bezit van de stad voor Israël een belangrijke kwestie.

De kerkvader Hieronymus, die in Bethlehem stierf in 420, vond dat het onontbeerlijk was voor het ware christendom om daar te komen waar Zijn voeten hebben gestaan en de sporen van de geboorte, het Kruis en het lijden te zien. Zijn tijdgenoot Gregorius van Nyssa vond daarentegen volstrekt niet dat een pelgrimstocht naar Jeruzalem bij de vereiste goede daden voor een christen hoorde. Voor de vierde eeuw was er in het geheel geen sprake van dergelijke pelgrimstochten. Eusebius van Caearea vindt het heiligverklaren van Jeruzalem een dwaling, ontleend aan de joden. Eusebius, bisschop van Jeruzalem in de vierde eeuw, vond evenwel dat de stad de bron van al het goede was. Na de bekering van Constantijn wordt het uitwissen van joodse en “heidense” sporen belangrijk: de Heilig-Grafkerk wordt opgericht op de plaats van een aan Aphrodite gewijde tempel. Constantijns moeder, Helena, bepaalde waar alles gebeurd moest zijn bij haar bezoek aan de stad, waarmee de heiligheid van Jeruzalem in christelijke kring wordt vastgelegd. Egeria’s verslag van haar pelgrimstocht (eind vierde eeuw) wordt tot op heden gelezen.1

Tot de kruisvaarderstijd was de meerderheid van de bevolking van de stad ongetwijfeld christelijk. Het schrikbewind tegen moslims en joden dat door de kruisvaarders werd ingesteld – overigens na een massamoord die ook de christelijke inwoners niet ontzag – leidde tot opdeling van de stad tussen denominaties en het afschaffen van het oosters-orthodoxe patriarchaat van Jeruzalem. De val van 1244 was het einde van de mogelijkheid tot politieke beheersing van Jeruzalem door christenen. Moslims moesten zelfs het beheer van de Heilig-Grafkerk en de Geboortekerk regelen vanwege de voortgaande ruzies tussen de kerkrichtingen. Het hemels Jeruzalem werd (weer) het belangrijkst, maar een reis naar Jeruzalem blijft een pelgrimstocht vanuit christelijk standpunt.

De traditie rond de profeet Mohammed wil dat bidden voor de profeet in Jeruzalem een plaats in het hiernamaals verzekert. Umar evenwel, de tweede kalief, vond de gedachte aan pelgimsreizen naar Jeruzalem voor moslims verachtelijk en laakbaar. De heiligheid van Jeruzalem voor moslims is gebaseerd op de traditie van de “nachtelijke reis” van Mohammed, van Mekka naar Jeuzalem, vanwaar hij naar de zevende hemel oprees. Op deze plaats is de “verre moskee”, de Rotskoepel, opgericht, onder het kalifaat van Abd al-Malik bin Marwan (685-705). De gangbare interpretatie van het motief achter de oprichting van deze gedenkkoepel is in de eerste plaats gebaseerd op concurrentie, met Mekka in de eerste plaats, maar ook met de christelijke kerken in Jeruzalem en elders in Groot-Syrië. De Arabische naam Al-Quds (Het Heilige) voor Jeruzalem komt pas in de tiende eeuw op. Maar het echte idee van een heilige plaats, die men in bezit moet hebben, komt ironischerwijze op nadat de stad door de kruisvaarders is ingenomen. In deze tijd komt een vorm van tegen elkaar opbieden in ijver (jihad) voor de herovering van de stad. In 1187 vindt deze herovering plaats, onder Saladdin. In 1229 evenwel kon de stad gemakkelijk bij verdrag onder soevereiniteit van keizer Frederik II geplaatst worden. De vestingwerken werden gesloopt, de stad was onverdedigbaar geworden en werd regelmatig geplunderd door nomaden. Pas onder de Mamelukken (1260) wordt de orde hersteld.

Het islamitische karakter van de stad werd in de hieropvolgende tijd bevestigd. Maar de tolerantie ten aanzien van andere godsdiensten bleef bestaan, in tegenstelling tot onder de kruisvaarders. De verdeling van de stad in een islamitisch, een Armeens, een ander-christelijk en een joods deel die zeker tot 1967 nog gold, is onder de Mamelukken ingesteld. Blijkbaar was het geen bezwaar de heilige stad te verdelen. En in feite bestaat de verdeling voor wat de oude stad betreft nog steeds voort. En er zouden geen religieuze overwegingen moeten zijn om tot een vergelijk te komen met betrekking tot een ver- of gedeelde soeveriniteit met betrekking tot Jeruzalem. Wasserstein spreekt van trahison des clercs als het gaat over het opstoken van gevoelens met betrekking tot religieuze rechten: de rede en daarmee de redelijkheid zou moeten overwinnen – maar dan heeft hij het over het begin van de 21ste eeuw, een tijd waarin naar hij terecht schrijft de rede ver te zoeken lijkt.

Noten

1 Zie bijvoorbeeld F. Ledegang, Als pelgrim naar het Heilige Land. De pelgrimage van Egeria in de vierde eeuw, Kampen: Kok, 1991 (Christelijke Bronnen 4).


Published in print in Golden Horn, Volume 9 issue 1 (Winter 2001-2002)

Advertisements