Historische romans over de Byzantijnse tijd: een kleine keuze

door Annabelle Parker

Een historische roman is voor een wetenschapper (in opleiding) niet interessant, immers, een roman is per definitie subjectief, geromantiseerd. Je moet als student je studieboeken leren en dat impliceert vaak dat je geen tijd hebt om een roman ernaast te lezen. Als het zover is dat het einde van je studie in zicht is, of dat je zelfs afgestudeerd bent, dan is het heel aardig om eens met een andere blik naar een deel van de geschiedenis te kijken dan met een ‘zuiver wetenschappelijke’. Koop eens een romannetje in een tweedehands boekenzaak en ontdek dat het verleden echt gaat leven, kortom: lees eens een historische roman!

Hierna presenteer ik een (willekeurige) lijst van Byzantijnse historische romans (dat zijn dus romans die wat betreft inhoud in de invloedssfeer van Byzantium liggen) die overal vandaan komen. Het niveau van deze romans verschilt enorm: het ene boek is echte kitsch, het andere is een oprechte poging het verleden te doen herleven.

Wat zo leuk is aan het verzamelen van dit soort literatuur is dat het zo verbazend en bemoedigend is dat er zoveel verschillende mensen zijn die zich met een klein aspect van Byzantium bezighouden. Misschien is het ook nog wel iets voor uw eigen Gouden Hoorn om een heus feuilleton over bijvoorbeeld de schandelijke perikelen rondom het keizerlijk hof ten tijde van een of andere keizerin te publiceren…

Deze lijst heb ik samengesteld met de informatie uit de boeken zelf, voor zover de gegevens strekten. Bij sommige boeken heb ik een kleine aantekening, andere boeken laat ik aan de lezer zelf ter beoordeling. De meeste schrijvers zijn mij volstrekt onbekend.

Paul I. Wellman: Theodora van Byzantium. Keizerin-maîtresse, Ned. uitgave: Kadmos, Houten, 1987. 422 pagina’s. ISBN 90-6790-134-2, vertaler onbekend.

Dit boek valt onder de categorie kitsch. De schrijver verlekkert zich aan het idee dat Theodora (c. 503-547) ooit een publieke vrouw was. Ik ben bij blz. 100 ongeveer blijven steken. Een citaat waarin Constantinopel wordt beschreven: “Zij was wereldwijs, sensueel en verleidelijk en haar miljoenenbevolking was nimmer in ruste als de polsslag van hun warme bloed. Haar ziel was gevuld met tegenstrijdige verlangens en ook hierin geleek zij op een vrouw. Zij was tegelijk fatsoenlijk en ijdel, sentimenteel en wreed, beschaafd en barbaars.” etc.

Helen A. Mahler: Empress of Byzantium. The last days of a Barbaric Empire, Bantam Books, New York (1952) 1953. Uit het Duits vertaald door de auteur zelf, met behulp van Leona Nevler.

De keizerin Athenaïs-Eudocia, vrouw van Theodosius II (408-450) speelt de hoofdrol als de mooie, intelligente, heidense keizersvrouw. “It is the story of a young queen, a virtual prisoner amidst the barbaric splendors of the royal palace, enslaved by her husband’s possessive lust.” Voer voor Hollywood!

Dmitri Merejkowski: Julianus Apostata. De laatste Helleen op den troon der caesars, W. de Haan, Utrecht, zonder jaar. Vertaald uit het Russisch door J.P. Wesselink-van Rossum, 266 pagina’s.

Gekocht bij antiquariaat De Fluwelen Zeemuis.

Joseph Bidez: Keizer Julianus. De ondergang van het antieke heidendom, Aula-boeken, Het Spectrum, Utrecht-Antwerpen, zonder jaar. Uit het Frans vertaald door Dr. J.A. Schröder, 332 pagina’s.

Dit boek is ook in het Duits in het Betere Antiquariaat te vinden. Julianus Apostata inspireerde veel (roman)schrijvers, zie ook de vorige GH voor G.J.D. Aalders: Julianus de Afvallige. Het leven van een verbitterde keizer, J.H. Kok, Kampen, 1983. Dit is niet zozeer bedoeld als roman, maar leest makkelijker weg dan een als wetenschappelijk bedoeld boek.

Jelle Wytzes: De Keizer en de nieuwe God, J.H. Kok, Kampen, zonder jaar. 194 pagina’s.

Dit boek is waarschijnlijk bedoeld als spannend of leerzaam jongensboek. Ik ben wel geen jongen, maar vond het toch een leuk boek waarin een aardig beeld wordt gegeven van de niet altijd even brave keizer Constantijn de Grote.

Robert Graves: Count Belisarius, Pyramid Books, New York, 1966 (Random House, 1938), 415 pagina’s.

Dit boek lag onlangs nog in de etalage van een grachtengordelboekhandel als kloeke Penguin-pocket. Verplichte kost voor Byzantinologen!

Felix Dahn: Een strijd om Rome, deel 1 en 2. Historische Roman, vertaald uit het Duitsch door G.T.B.
dl. 1: derde druk Arnhem-Nijmegen, gebrs. E. & M. Cohen, geen jaartal, 338 pagina’s;
dl. 2: gebr. E. & M. Cohen, Amsterdam, geen jaartal. 520 pagina’s.

Ik heb dus twee verschillende delen en ben er voorlopig nog niet doorheen. Er schijnt ook een derde deel te zijn, onlangs nog op het Waterlooplein gesignaleerd. Tevens in het rommeligere antiquariaat verkrijgbaar.

Gillian Bradshaw: The beacon at Alexandria, Penguin-paperback, Harmondsworth, 1988. 376 pagina’s. ISBN 0-14-010435-6.

Dit verhaal speelt zich af in de late Oudheid. Een rijk meisje wil later liever dokter worden dan rijke vrouw die representatief moet zijn voor haar huishouden.

Jan Romein: De dood van Nikephoros Phokas, N.V. Wereldbibliotheek, Amsterdam, 1934. Met drie linoleumsneden van J.J. Voskuil.

De enige historische roman van Jan Romein, die zich ook nog kortstondig Byzantinist mocht noemen.

Emmanuel Rhoïdis: Pausin Johanna, vertaald uit het Nieuwgrieks en van een nawoord voorzien door Gerrit Komrij, derde druk, De Arbeiderspers, Amsterdam 1992. 201 pagina’s.

De oorspronkelijke uitgave dateert uit 1886, Athene. De Engelse vertaling is van Lawrence Durrell: Pope Joan, a Mayflower-Dell Paperback, London, deze editie: 1965 (eerst uitgegeven in 1954). Deze vertaling heeft een kort voorwoord over de schrijver Royidis, noten en een bibliografie. 168 pagina’s.

Procopius: Geheime geschiedenis van Byzantium, vertaald uit het Oudgrieks en van een nawoord voorzien door Gerrit Komrij, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1970. 178 pagina’s.

Dit is de Nederlandse vertaling van Anekdota (dit betekent ‘onuitgegeven werk’), in 550 geschreven door Procopius, waarin hij zijn visie op het hof van Justinianus en Theodora geeft. Een soort ‘unauthorised version’ van het leven van Theodora en haar machtsspelletjes aan het hof.

Roderick Conway Morris: Jem. De avonturen van een geheim agent in de vijftiende eeuw, Van Holkema en Warendorf, Houten, 1990 (oorspr. geschreven in 1988); 319 pagina’s, slechts 7,95 bij De Slegte, vertaald uit het Engels door Sante Brun. ISBN 90-269-6419.

Advertisements

Mohamed El-Fers: Istanbul, reisgids

recensie door Annabelle Parker

Istanbul, reisgids door Mohamed El-Fers, uitg. Jan Mets, Amsterdam, 1993, ISBN 90-5330-054-6.

Het volgende jaar is het voor de redactie weer tijd om naar Istanboel te gaan, vandaar het bekijken van een aantrekkelijk ogende reisgids. Het duurde nogal lang voordat deze reisgids uitkwam: in oktober ’92 al besteld, in juni ’93 pas verschenen. Maar deze gids is dan wel een ‘geheel nieuwe gids’ en geen gereviseerde. De reden voor de vertraging is dat er zoveel veranderd is in Istanboel de laatste jaren, aldus de Verantwoording. De historische binnenstad is autoluw, en een nieuwe Galatabrug en tram sieren de Stad.

Wat heeft deze gids van Mohamed El-Fers, die zelf jaren in Istanboel woonde en werkte, de nieuwsgierige reiziger te bieden?

De gids is opgebouwd rond zeventien wandelingen. Daarnaast treffen we nog een beknopt overzicht van de geschiedenis van Istanboel aan, met meer accent op de Ottomaanse tijd dan op de Byzantijnse, maar dat nemen we de auteur niet kwalijk. Veel wandelingen door het historische Istanboel/Constantinopel hebben de (weliswaar gratis, maar stampvolle) tramlijn als centraal verbindingspunt, “…want geen enkele gratis lijn op aarde voert langs zoveel historische hoogtepunten als deze.”

De gids is vermakelijk geschreven met leerzame stukjes voor iedere bezoeker. Wist u bijvoorbeeld dat de spectaculaire race in de James Bondfilm ‘From Russia With Love’ zich in de cisternen van het Yerebatan Saray Müze afspeelde? Of hoe u beleefd over de prijzen in de Grote Bazaar kunt onderhandelen? Of hoe u moet handelen als u gearresteerd wordt op verdenking van het bezitten/kopen/verkopen van drugs? Of hoe u zich kunt redden in een toilet met mogelijkheid tot wassen met een plastieken fles of kannetje? De laatste twee kwesties kunt u nalezen in het hoofdstuk “Istanbul van A tot Z.”

Verder staat er in deze reisgids nog een hoofdstuk over de Prinseneilanden en Yalova, een overzicht van belangrijkste historische data onder de naam “Istanbul eeuw in, eeuw uit”, een literatuuroverzicht, een register, een op geel papier afgedrukt “Wie, wat waar?”, en tenslotte een lijst met Nederlands-Turks en Turks-Nederlands (‘Ik ben Belg, welk gerecht raadt u aan?/Ik ben Nederlands, ik heb geen geld!’).

‘Istanbul‘ staat vol mooie zwart-witfoto’s en bij de meeste wandelingen staan plattegronden aangegeven. Ik vond het een originele en grappig geschreven gids met nieuwe tips voor mijzelf om uit te proberen.

De kop van de slang

door André de Raaij

“Verlosser, die den slang het hoofd verpletten zult”
— Vondel, Lucifer

Is het Paardenplein, At Meydani, de grote trekpleister van toeristen in Istanbul? Het lijkt er wel op, en zoals meestal bij grote attracties in de vreemdelingenindustrie kun je je met flinke verbazing afvragen of al die mensen nu echt geïnteresseerd zijn in Turkse, Byzantijnse, Romeinse en Griekse oudheden (voorzover men deze zo precies kan en mag onderscheiden). De Ayia Sofia geldt als een soort wereldwonder, maar met evenveel gemak is het Noordhollandse polderlandschap als zodanig te presenteren en worden dagelijks duizenden mensen uit bussen gespuwd in het midden van Beemster of Purmer: u staat nu op de bodem van een heel diep meer. Het bekijken van “bezienswaardigheden” van menselijke makelij (zoals dus ook die polders) zou door historische interesse gemotiveerd moeten zijn. Deze interesse is geen morele verplichting, maar mijns inziens de enige geldige verklaringsgrond: hier was dus de paardenrenbaan van de nieuwe hoofdstad van het Romeinse Rijk, in het verlengde ervan de aan de Egyptische heilige Sofia gewijde basiliek, nog verder het paleis van de sultans en achter de kijkende mens van de laat-twintigste eeuw het restant van een Byzantijns paleis.

Veel, te veel wellicht om te bevatten, en dan hebben we het nog maar niet over de Sultanahmet-moskee, die ook al zoveel geschiedenis heeft die in continuïteit gezien kan worden met het heden: geen zeer diepgaande breuk, ook al is er geen sultan meer. Toch vermoed ik dat het historisch besef van de meeste mensen die de volle bussen op het plein uitspuwen niet verder reikt dan het hedendaagse mediabewustzijn: suffe jaren vijftig, swingende jaren zestig en de rest hebben we op school gehad. Dus welk besef komt hier enigszins tot leven?

De kastanjebomen aan de rand van het plein zorgen voor een voortdurend bombardement met het geluid van explosies, de politie zorgt met luid loeiende sirenes zeer stoer voor verder leven. Op het Hippodroom heb ik geen paarden gezien, wel berenleiders met twee beren: het heet verboden, maar dat is de sluier voor vrouwen ook, niet iedere wet is even duidelijk een wet in de Turkse republiek. In het holst van de nacht geeft de muëzzin van de Sultanahmet het uur van het gebed aan: in deze stad vol moskeeën valt het op dat dit uur niet heel precies aan te duiden valt. Sommige zijn de Sultanahmet voor, andere volgen later, en het is zeer vroeg, ergens tussen vijf uur en half zes.

Het is ons niet meer gegeven mee te maken hoe het geklonken moet hebben toen de oproep nog van de torenspits van de minaret onversterkt gedaan werd. De minaret heeft zijn eigenlijke functie verloren en is nu nog maar het ornamentale bouwsel dat wijst op een gewijde plaats. (De Sultanahmet heeft er zes, een extra bijzonderheid die niets afdoet aan het verlies van de aardse functie van de gebouwen.) De muëzzin heeft een microfoon die kennelijk aan een muur binnen is bevestigd, in de minaret zijn megafoons aangebracht die het kennisnemen van de mededeling dat God groot is onontkoombaar maken. Aan deze mededeling kan nog wel eens wat gekuch of keelgeschraap voorafgaan: onvermijdelijk is het voor de muzzin ook even slikken om op dit uur zijn werk te doen.

De oproep vanaf de minaretten van de Sultanahmet zal ook zonder elektronische versterking over het hele Paardenplein te horen zijn geweest. De heuvel aan de westkant moet in tijden zonder storende geluidsfactoren als autoverkeer overdag voor een goede weerkaatsing gezorgd hebben. Maar dit is slechts speculatie, zelfs als het niet meer nodig zou zijn zou de muëzzin via de microfoon roepen, zo’n uitvinding moet nu eenmaal gebruikt worden. Het heeft, waarschijnlijk ongewenste, effecten die zijn optreden soms doet balanceren op de dunne draad tussen het potsierlijke en het indrukwekkende. Na de oproep tot gebed hoort men een harde plof, nieuw gekuch en een geluid dat klinkt als nadrukkelijke voetstappen die wegsterven in een toren: je hoort, en ziet als het ware daardoor, de muëzzin de trappen van de minaret weer afdalen. Maar dit veronderstelt te veel continuïteit in de functie van de minaret – het geluid dat door de microfoon wordt weergegeven is afkomstig van de microfoon zelf die nog een tijdje tegen de muur blijft aanwaggelen na het terughangen.

In tegenstelling tot wat de meeste mensen zullen denken zijn moskeeën niet vreemd aan “Byzantium”, per definitie verbonden aan Istanbul, niet aan Constantinopel. Dit misverstand zullen de kruisvaarders die het in 1204 nodig vonden de stad in te nemen, ook gekoesterd hebben. Tot het vele dat zij verwoest hebben behoorde de moskee ten dienste van Arabische en Turkse ingezetenen en bezoekers van de hoofdstad van het christelijke oosten. Daarbij ging de hele buurt eromheen eveneens in vlammen op. Het is maar helemaal de vraag wie de wedstrijd Byzantium-plunderen-en-vernielen achteraf zou winnen: de kruisvaarders of de Turkse veroveraars van 1453. Dat de kruisvaarders van God los waren is geen overdreven uitspraak.

Toen de helden van de roomsche kerk de stad innamen was het Hippodroom al in verval, en ze hebben niet nagelaten aan dit verval hun bijdrage te leveren. Toen zij in 1261 de stad uitgejaagd konden worden stonden er nog slechts de drie monumenten die er nu nog als overblijfselen van het Hippodroom staan: de obelisk van Toetmoses, de zuil van Constantinus Porphyrogenitus en de Slangenzuil. De obelisk was al hoogbejaard toen hij van Karnak naar Constantinopel werd gehaald (geroofd mag men natuurlijk ook zeggen), bijna 1900 jaar om zo precies mogelijk te zijn. Daarbij is hij flink wat kleiner gemaakt. Toetmoses had hem opgericht om een overwinning op de Syriërs te gedenken. De zuil van Constantinus Porphyrogenitus was in feite al zes eeuwen oud toen de keizer waarnaar zij genoemd is haar met brons bekleedde om de roem van Basilius I te bezingen. Met dat brons wisten de kruisvaarders raad. Het is wel het enige monument op de spina van het Hippodroom dat echt op zijn plaats is.

Het merkwaardigste is de slangenzuil. Men moet weten dat de groen uitgeslagen reuzeschroef die hier uit de grond steekt niet in een reuzeboormachine hoort, maar dat het drie verstrengelde bronzen slangen zijn. Ook zij dienen als monument voor een overwinning dat ooit elders stond: het brons is gesmolten uit de schilden van Perzische soldaten die bij de slag van Plataeae zijn achtergebleven (479 v. Chr.). Op de slangen stond in Delphi een gouden drievoet met een gouden vaas, waarin kruiden verbrand moesten worden om de orakelpriesteres in de juiste stemming te brengen. Deze gouden onderdelen zijn al in Delphi verdwenen. Maar de slangen waren compleet toen Constantijn de zuil naar de nieuwe hoofdstad haalde. En de diepgelovige kruisvaarders hebben de zuil gerespecteerd, omdat zij in de dertiende eeuw als amulet tegen slangen gold: het was aan de zuil te danken dat er geen slangen in de stad waren, en in ieder geval behoedde zij voor beten.

Of de koppen er nog allemaal aanzaten in 1700 is de vraag: reizigers van voor die tijd meldden al schade aan wat ooit een drietal slangekoppen had moeten zijn. Laten we voor het gemak aannemen dat er zeker één verdwenen was: toch door verval? Een beetje moeilijk te begrijpen hoe dit had gekund zonder dat het verval een handje werd geholpen. Hoe het ook zij, sinds 1700 zijn alle koppen er af. De Dominicus-reisgids Istanbul en omgeving van Herman Beliën en Rina Koper meldt: “Op 20 oktober 1700 zijn de koppen van de slangen er afgevallen.” Het zullen niet alle drie de koppen zijn geweest, want, als gezegd, vroegere reizigers wekken de indruk dat er zeker één weg was. Hoe kwam het dat die koppen er juist op die dag de brui aan gaven, bronsmoeheid?

De Guide Bleu weet meer: de Poolse ambassadeur heeft in stomdronken staat de koppen afgehakt (volgens de Guide Bleu alle drie, maar dat zal niet kloppen). Een sterk staaltje, waar een kracht voor nodig is die misschien wel door dronkenschap moest worden opgeroepen. En Polen, ambassadeur of niet, kunnen stevig drinken, blijkbaar een historische traditie. De Guide Bleu vermeldt dat het schandaal in de doofpot werd gestopt, om geen diplomatieke complicaties te krijgen: in 1700 diende men blijkbaar al eerbiediger tegenover oudheden te staan dan in de dertiende eeuw – de Renaissance zit er tenslotte niet voor niets tussen. In de negentiende eeuw zijn de restanten van een van de koppen teruggevonden, die zijn nu in het Archeologisch Museum van Istanbul te zien. De vraag blijft: zijn dit resten van een van de koppen die de Poolse ambassadeur heeft afgehakt? Het lijkt mij niet zo waarschijnlijk.

Blijf ik met de vraag zitten waarom de Dominicusgids zo laconiek het verhaal vertelt van koppen die spontaan naar beneden komen, na bijna 22 eeuwen. Moet de Poolse ambassadeur die zich dronken misdroeg in de hoofdstad van de islamitische wereld nu nog de hand boven het hoofd worden gehouden? Of is het verhaal over de dronken ambassadeur die waarschijnlijk op een ladder moest gaan staan om zijn krachttoer uit te voeren een verdichtsel? Wat de waarheid ook moge zijn, het monument van Plataeae, verbonden aan het heiligdom van Delphi en hierheengehaald door de keizer die zich ook een beetje Apollo waande, staat er nu als een deerniswekkend onbegrijpelijk restant, aangegaapt door de busladingen toeristen. Misschien kan een doe-het-zelfwinkelketen het poetsen van deze reuzeboor gaan sponsoren…

Jewish sites of Istanbul tevens zoektocht naar christelijke kruisen…

door André de Raaij

Ilan Karmi, Jewish sites of Istanbul, A guide book.

Uitgegeven door: The Isis Press, Semsibey Sokak 10, Beylerbeyi 81210 Istanboel.

ISBN 975-428-035-5

Op 29 mei 1453 viel Constantinopel in handen van de Turken, die toen nog gewoon Turken in plaats van Turkse mensen mochten heten. De stad kreeg de naam Istanboel, en dat heeft naar specialisten mij verzekerd hebben, niets met Islam te maken, zoals de volksetymologie wil, maar het is gewoon een verbastering van het Griekse “eis tèn pólèn”, naar de stad. We gaan naar de stad om deze te veroveren, en er waren wel meer steden op het Balkan-schiereiland of in Klein-Azië, maar “de” stad, dat kon alleen Constantinopel zijn, het nieuwe Rome, dat in 1204 door de paapse kruisvaarders al eens ingenomen was. Die dag in mei deed het er niet meer toe of de keizer en het patriarchaat liever paaps dan Turks waren, het was afgelopen.

De verovering werd verwelkomd door de niet-oosters-orthodoxen in de stad: de roomse Genuezen en de joden. Vooral de laatstgenoemden hadden weinig reden tot treuren over de val van dit christelijke rijk, want men wist er nog wel eens een vervolging te organiseren. De Ottomaanse sultan daarentegen verwelkomde de joden in zijn rijk en zeker in de nieuw-veroverde stad. Toen het laatste Arabische bolwerk op het Iberisch schiereiland viel, in 1492, nodigde de sultan de joden, die bedreigd werden door de allerkatholiekste Spaanse majesteit, uit naar Constantinopel. En ze kwamen, en ze brachten de joodse variant van het Spaans, het Ladino, mee – en de boekdrukkunst. In de tentoonstellingszaal van de Universiteitsbibliotheek is onlangs een Hebreeuwse druk uit 1493 te bezichtigen geweest, een getuigenis van het beleid van de sultan – hoe komt die druk eigenlijk in Amsterdam, maar dit terzijde?

Vier eeuwen lang bleef het bewind van de sultan vriendelijk voor zijn joodse onderdanen, een voorbeeld van tolerantie die in het grootste deel van Europa vaak ontbrak. Sterker nog, toen het zionisme opkwam werd dit ook door de sultan verwelkomd. Palestina maakte aan het begin van deze eeuw deel uit van het Turkse rijk, en immigratie werd aangemoedigd. Op dit nabije punt in de geschiedenis wordt het verhaal moeilijker.

In 1906 wordt de absolute macht van de sultan defintief gebroken door het Comité voor Eenheid en Vooruitgang, beter bekend als de Jong-Turken. Merkwaardigerwijs was het merendeel van het comité van huis uit juist niet Turks: Albanezen, Grieken, Macedoniërs, joden of een combinatie van deze nationalteiten zijn terug te vinden onder de leden van het Comité. Hoe dit ook zij, het Comité besloot het nieuwerwetse radicale nationalisme in te voeren: het Turkse rijk moest Turks zijn, geen sprake meer van tolerantie ten aanzien van alle andere etnische groepen (minderheden kun je ze niet noemen, want de Turken waren zelf een minderheid binnen het rijk). Dit nieuwe Turkse nationalisme botste tegen de strevingen van andere naties, die gedeeltelijk al hun doel bereikt hadden of dit spoedig zouden doen: de Bulgaren, de Grieken, de Albanezen, de Serviërs (of moeten we ze Macedoniërs noemen?), de Koerden, de Armeniërs, de Arabieren en de joden. Kortom, de wortels van bijna alle brandhaarden die we nu kennen, van Vukovar over Nabloes en Diyarbakir tot Koeweit, liggen bij het opkomende nationalisme dat het Turkse rijk heeft opgeblazen. Zie hiervoor verder het dagelijkse nieuws.

Het Turkse rijk koos in de Eerste Wereldoorlog de kant van Duitsland en Oostenrijk, alle nationaliteiten die aspiraties hadden tot eigen staatsvorming binnen het rijk kozen “dus” voor de Geallieerden. Veel werd er beloofd en veel werd niet nagekomen: een eigen Koerdische staat kwam er niet, de hasjemitische koningen van de Hedjaz kregen niet hun Arabische rijk van Adana tot Jemen, er kwamen geen aparte staten voor Assyriërs en Nestorianen – er kwam wel de toezegging vanwege de Britten van het joods nationaal tehuis in Palestina, en er kwam een Armenië. Het zionisme stond plotseling aan de anti-Turkse zijde.

Toen het restant van het Turkse rijk zich van de nederlaag hersteld had, leverde dit wat in Griekenland nog steeds bekend staat als de megáli katastrofí, de Grote Ramp op: Griekse volksplantingen die 26 eeuwen of langer bestonden werden onder Atatürk op grove wijze ausgebürgert. Er vond een bevolkingsruil plaats, waarbij Turkse dorpen in Grieks Thracië bevolkt werden door de verdreven Grieken uit Klein-Azië en wat wij nu Europees Turkije noemen. Het zelfstandige Armenië werd van twee kanten opgeruimd: namens Stalin aan de Russische zijde, namens Atatürk aan de Turkse. In het oude Armeense hartland vond de definitieve etnische zuivering plaats, waardoor deze streken nu zo goed als puur Koerdisch zijn…

Hoe was de positie van de joden in dit land, waar anno 1993 wel Hitlers Mein Kampf in de etalages mag liggen, maar geen Turkse vertaling van het Oude Testament ingevoerd mag worden? Als ik het boekje Jewish sites of Istanbul van Ilan Karmi mag geloven, was alles prima in orde. Turkije werd officieel een seculiere staat, en dat is het nog steeds, dus wettige of structurele discriminatie zou uitgesloten moeten zijn. Toch gelden er ten aanzien van de resterende christelijke minderheden in Turkije nogal wat restricties. Er mogen bijvoorbeeld geen nieuwe kerken gebouwd worden. Er worden wel kerken herbouwd op plaatsen waar al een christelijke kerk heeft gestaan. Godsdienstonderwijs op aparte scholen is niet toegestaan: na de staatsgreep van 1980 is onderwijs in de beginselen van de islam wel verplicht binnen het onderwijs. Niet-islamieten mogen het overslaan, maar iets aparts ervoor in de plaats mag niet. In de wereld ten zuidoosten van Oostenrijk en Hongarije zijn nationaliteit en godsdienst niet van elkaar te scheiden, iets waarvan de gevolgen ook weer dagelijks doordringen rond Sarajewo. Men kan dus duidelijk vaststellen dat er van overheidswege wel degelijk wordt gediscrimineerd in Turkije. De gevolgen hiervan zijn in het grote Istanboel echter heel anders dan in de rest van het land.

Istanboel is in zekere mate de laatste vrijhaven van de christelijke minderheden, te beginnen bij de Grieken en de Armeniërs. Je hoort op zondagochtend geen kerkklokken, maar als ze geluid zouden mogen worden zou je er al gauw achterkomen dat er meer christelijke vrijplaatsen in de stad zijn dan je op het oog kunt vermoeden. Kijk vanaf de vroeg-zesde-eeuwse Galatatoren en merk op hoeveel kruisen je op daken ziet in de stad van de 1300 moskeeën. Ga zoeken in de wirwar van heuvelachtige straten en merk dat het moeilijk is die kruisen terug te vinden op straatniveau. De heuvels en de bochtigheid van de straten maakt het zoeken moeilijk, en als je een adres weet ben je niet veel verder: straatnamen staan nauwelijks aangegeven in Istanboel, en de mensen weten meestal niet eens hoe straten heten, de stad is er om beroemd of berucht. Het terugvinden van zo’n kerk blijkt een kwestie van geluk. Een enkel deurtje, waarachter een tuin, en in de verte een schuurtje: de kerk van de Syrisch-Orthodoxen in Kumkapi. In Galata worden we door omwonenden van een gebouw waarop een enkel kruis staat, opgevangen en naar binnen gemaand. Een man vertelt het een en ander in zijn taal, het Armeens. Wij voelen ons vereerd en aangedaan deze vrijplaats van overlevenden van de genocide te mogen bekijken, kunnen niets terugzeggen – in het Turks weten we al heel weinig, in het Armeens nog veel minder, een kaars aansteken, dat kan. De kerk ziet er “levender” uit dan de Armeense kerk aan de Amsterdamse Kromboomssloot, die wel veel en veel ouder is.

De Armeense kerk in Galata had het al gedemonstreerd: meestal wonen de parochianen vlakbij het belangrijkste gebouw van hun volks- en geloofsgenoten. Men kan dus verwachten dat in Balat, een van de armste wijken van het oudste stadsdeel, ook de Bulgaarse christenen en de Grieken wonen. In het park, dat aan de havenkant de plaats heeft ingenomen van vaak ongelooflijk smerige werkplaatsjes (zegt de Dominicusgids), staat de Bulgaarse St. Stephanuskerk. Hij wordt gerestaureerd. Goed te zien vanaf de Gouden Hoorn is de kerk van het Griekse patriarchaat, hoger op de heuvel. Constantinopel mag dan Istanboel heten, het is nog steeds de hoofdstad van de Griekse orthodoxie. De kerk is zo prominent dat het ook in deze armoedige heuvelwijk niet moeilijk is het gebouw te zoeken: het is rood, en het staat op de top. Als je er aanbelandt, blijkt dat er, net als bij de Syrische en de Armeense kerk, nauwelijks een ingang is – sterker nog, het gebouw wordt ook al gerestaureerd. Ernaast staat een witgepleisterd schuurtje: dat blijkt de functionerende Grieks-orthodoxe kerk van de buurt. Vlakbij blijkt een Griekse school, waar jongetjes op het basketbalveld klassikaal het spel aan het oefenen zijn.

Volgens het boekje van Karmi over Joods Istanboel moeten er in Balat veel sporen van de joodse aanwezigheid zijn. Jazeker, Istanboel was een veilige haven voor joden in ’40-’45, Turkije was neutraal. Merkwaardigerwijs staat het boekje er niet bij stil, hoe het komt dat het grootste deel van joods Istanboel de afgelopen zes decennia naar Israël geëmigreerd is. Waarom allerlei synagogen er verlaten en verwoest bijstaan. Waarom het tracé van ringwegen en van bruggen over de Bosporus steeds zo gekozen wordt, dat er joodse begraafplaatsen voor uit de weg geruimd moeten worden. Het is nu eenmaal zo, klaar uit.

Omdat synagogen nu eenmaal minder makkelijk te herkennen zijn aan hun daken, geen soera’s en geen kruisen, hebben we van de vermelde sporen in het doolhof van Balat niets teruggevonden. Eén gevel met Davidsster en Hebreeuwse tekst, ook in Kupkami, ongezocht en derhalve gevonden. En in Balat was het probleem, dat men ons als overduidelijke buitenlandse toeristen, spontaan verward de weg wees naar de Byzantijnse Chorakerk, wel weer moeilijk te vinden, want gemarkeerd door minaretten – het is als Kariye nog een hele tijd een moskee geweest. En van minaretten hebben ze er nogal wat in Istanboel. Het heeft geen zin om duidelijk proberen te maken welke straten we eigenlijk zoeken aan de hand van onze gids door joods Istanboel: straatnamen, daar doen we nu eenmaal niet aan in deze stad, netzomin als aan straatverlichting. Als we ronddolende door de gribusbuurt met zijn vele straatvuilnisbelten – de stadsreiniging staakt al maanden – tenslotte bij de kerk aanbelanden staat het plein ervoor vol met bussen die er ladingen toeristen heengebracht hebben. Het is blijkbaar wel gebruikelijk deze kerk te bezoeken, maar men wandelt hiervoor niet langs de steile armoestraatjes van Balat. De Chorakerk is in feite beter geconserveerd dan de prominentere en groter Ayia Sofia. Laat staan dan de dicht bij de Ayia Sofia staande Ayia Irini, permanent gesloten, maar bij licht aandringen twee minuten geopend: alle mozaieken zijn er weggehakt, alleen de ruimte getuigt van een trots vroeg christendom, ouder nog dan dat van de Ayia Sofia.

De enige Griekse kerk tenslotte die wij zonder moeite konden vinden, bevond zich op Burgaz Ada, een van de zeer welvarende Prinsen-eilanden voor de Aziatische kust van Istanboel. De kerk is er even prominent als de moskee, en er moet ook nog een synagoge zijn, die we natuurlijk weer niet gevonden hebben. Verdraaid, de kerk wordt ook al gerestaureerd, maar het is duidelijk dat hij nog volop in wekelijks zoniet dagelijks gebruik is. De gelovigen zitten net als iedereen uitgebreid te tafelen op het tijdstip van ons bezoek.

Aan de kade van een van de eilanden neemt een meisje afscheid van haar vader, die naar wie weet hoever gaat. Ziet hij zo slecht, dat hij met zijn kruis het hek inloopt, of zijn zijn ogen ook vertroebeld door tranen, ai?! Pijnlijk en aandoenlijk om getuige te zijn van zo’n scène waar je eigenlijk helemaal niets mee te maken hebt. Het meisje staat heel erg haar tranen te verbijten, en tenslotte lukt het ook niet. Haar vader werpt kushandjes naar de kade en wuift zwakjes vanaf de stampvolle boot. Hoe ver zullen ze verder misschien voorgoed gescheiden zijn? Het meisje draagt een zeer goed zichtbaar groot kruis om haar hals, iets wat je in Istanboel zelf niet zult zien. Kan men het zich echt nu alleen maar permitteren tolerant te zijn in een welvarende omgeving? Een gedachte om zelf heel triest van te worden…

Van joods Istanboel hebben we verder alleen de synagoge bij het eindstation van de spoorwegen in Sirkeci ontdekt. Een onopvallend gebouwtje. Het was zaterdag en er liep zowaar een jongen met een keppeltje langs het station, het leek wel duidelijk waarheen. Sirkeci is armoediger dan de Eilanden, maar krankzinnig druk. In de anonieme massa van Istanboel moet het tamelijk veilig zijn, ook al laat het boekje van Ilan Karmi vragen open. Gekocht bij een islamitische boekhandel, die ook een Turks boekje met de titel: De wonderlijke geschiedenis van de joden, in de etalage had, geschreven door Ismail Mutlu. Dat zou Turks voor Schmuel Glick kunnen zijn, maar voor hetzelfde geld is het een abject fascisto-islamitisch produkt, al moet ik toegeven dat ik bij deze boekhandel Mein Kampf niet heb zien liggen. Jewish sites of Istanbul, a guide book, door Ilan Karmi, is vorig jaar verschenen, vanwege de vijfhonderdste verjaardag van de val van Granada en dus van de sefardische aanwezigheid in Istanboel, bij The Isis Press, een vreemdtalige uitgeverij in Istanboel die ook verder veel judaïca in haar fonds heeft. Vermoedelijk staan de telefoonnummers van alle joodse “sites” niet voor niets in het boekje, als men ze wil vinden en ook nog bezoeken kan men beter vantevoren opbellen.

Ook wenselijk – misschien kan die andere vreemdtalige uitgeverij in Istanboel, de Red House Press hiervoor zorgen – lijkt mij een gids voor christelijk Istanboel. Die zal wel veel groter worden. Of misschien zorgt de redactie van dit blad voor een kleine gids.