Armenië en de Balkan

door André de Raaij

Al in het midden van de tweede eeuw is het christendom in Armenië gearriveerd, in 301 moet Gregorius Illuminator de Armeense koning Tiridates III bekeerd hebben, in de tijd dat Armenië zich juist weer eens van Perzische overheersing had bevrijd. Het werd daardoor meteen staatsgodsdienst en het kreeg een nationalistisch karakter. Dat de Armeniërs zich als het oudste christelijke volk beschouwen is dus in zoverre juist, dat het christendom nergens eerder staatsgodsdienst is geworden. Toen het land opnieuw onder Perzische overheersing kwam (389) diende de bijbelvertaling en de eigen christelijke literatuur als nationaal bindmiddel. Onder katholikos Sahak (390-439) werd het eigen alfabet ontwikkeld door bisschop Mesrob Masjtots, die ook het Georgische alfabet heeft ontworpen.

In 451 werd de Perzische overheersing voorlopig afgeschud. Het was het jaar van het concilie van Chalcedon, waar Armenië niet vertegenwoordigd was, te druk verwikkeld als het was in de strijd. Toen de bevrijding een (voorlopig) feit was en men van de besluiten van de synode vernam, wees men deze af. In 505 koos de Armeense kerk formeel voor het monofysitisme.

Het is hier niet de plaats om de gehele verwarrende geschiedenis van strijd met omliggende rijken in een notedop te verhalen: Perzen, Arabieren, Georgiërs, Turken, kruisvaarders, Russen – afgezien van de onderlinge strijd. Niet omdat het verhaal overmatig bekend is. De deportatie en uitmoording van ruim een miljoen Armeniërs in 1915 in de nadagen van het Osmaanse rijk was niet de eerste maar zeker wel de grootste “moderne” genocide van haar tijd. Er wordt van officiële Turkse zijde nog steeds bagatelliserend over gedaan, in termen die alleen maar lijken te bevestigen dat er iets heel erg is misdaan: het valt reuze mee met de aantallen, eigenlijk is het ook niet waar en bovendien zijn zij begonnen (het doet denken aan de DDR-anekdote: er zijn geen politieke gevangenen in onze republiek en bovendien worden ze goed behandeld).

De “Armenierlüge” wordt voortgezet: de grote pogroms van Sumgait in Azerbeidzjan (februari 1988) en van Baku (januari 1990) waren begonnen door KGB-agenten, wellicht van Armeense afkomst en vallen in het niet bij de veel afschuwelijker slachting van Azeri’s door Armeniërs in Hocali (februari 1992). Het verhaal van de door de geheime dienst van de Sowjet-Unie opgezette pogrom is een merkwaardige echo van de pogrom tegen de Armeniërs van Baku in 1905, die door keizerlijke agenten zou zijn opgezet, zoals ook de hieropvolgende anti-Azeripogrom in Erevan door dergelijke agenten gestart zou zijn. Verdeel en heers, onmogelijk is het niet. Het tegen elkaar opbieden in slachtofferigheid van Azeri’s en Armeniërs de afgelopen jaren maakt het wel nogal makkelijk te besluiten geen partij te kiezen.

Het Armeense gebied is al zo’n twintig eeuwen lang achtereen bij verdrag of in oorlog verdeeld: de laatste keer tussen Turkije en Rusland, waarbij bepaald werd dat Nachitsjewan, een groot grensgebied tussen Armenië en Iran “voor altijd” bij Azerbeidzjan zou horen (hetgeen weer eens een etnische zuivering tot gevolg had, zodat er nu in het geheel geen Armeniërs meer in dit gebied wonen). Een andere verdeling was die tussen Perzen en Romeinen van 387.

De wederwaardigheden van de oostgrens van het Romeinse (Byzantijnse) rijk in deze streken vormen een onoverzichtelijk, verwarrend en waarschijnlijk ook vermoeiend verhaal. Het eindigt in 1045, als het gehele Armenië weer eens onder Byzantijnse suzereiniteit komt te vallen, tot de Turken in 1071 voorgoed een einde maken aan de Byzantijnse bemoeienis met deze streken. Omdat die laatste kwarteeuw werd gekenmerkt door zware vervolging van monofysieten heeft de wisseling van onderdrukker niet eens zo veel verschil gemaakt.

Er zijn verscheidene golven van immigratie van Armeniërs naar het Balkanschiereiland geweest. De eerste was bij wijze van deportatie en om deze strijdbare mensen bij de verdediging van het rijk in te zetten op een plaats waar zij niet in de meerderheid waren. Dit is één interpretatie van de aanwezigheid van Armeniërs sinds de achtste/negende eeuw na Christus op de Balkan (de Indoeuropese taal van de huidige Armeniërs zou afkomstig zijn van dit schiereiland, in ieder geval ver voor de zevende eeuw voor onze jaartelling, dus volgens een bepaalde logica kan men het als een terugkeer zien). Doordat er onder de Armeniërs van oudsher zoroastriaanse en manichese opvattingen verspreid waren, en het Paulicianisme ook opgang in hun gelederen heeft gemaakt, worden zij wel gezien als de geestelijke voorouders van de bogomielen. Wij bevinden ons hier op zeer onvast historisch terrein. Een andere interpretatie van de prominente aanwezigheid van Armeniërs op het Balkanschiereiland en hun ketterse opvattingen is, dat zij regelmatig verward zijn met het volk van de Arumeniërs, thans meestal Vlachen genoemd, wier taal sterk verwant of identiek is aan die van wat nu Roemenië heet. In Constantinopel was men zo vervreemd, is de verdere uitleg, van het Latijn en de opvolgers daarvan, dat men Arumeens niet van Armeens kon onderscheiden en met elkaar verwarde. Dit zou speciaal gelden voor tsaar Samuel van de Bulgaren (eind tiende eeuw); het gaat hier om al even speculatieve ideeën, het staat in het geheel niet vast of Samuel Armeens of Arumeens is geweest. Het enige dat vaststaat, zou men kunnen concluderen, is dat er veel onduidelijkheid is over heel wat aspecten van de geschiedenis van het Balkanschiereiland, en zolang er vermeende nationale belangen een rol blijven spelen bij de geschiedschrijving zal het er niet veel duidelijker op worden.

Hoewel het Latijn al snel na de splitsing van het Romeinse rijk in onbruik raakte in het oosten kan dit niet als argument gelden voor het verwarren van Arumeens of Vlachisch met het Armeens.

De traditie wil dat Byzantium zeker drie Armeense (en dus niet Vlachische) keizers heeft gehad: Leo V, bijgenaamd de Armeniër (813-820), een iconoclast die met kerstmis voor het hoofdaltaar van de Hagia Sophia vermoord is ten overstaan van de gelovigen; Romanus I Lecapenus (920-944), zoon van een Armeense boer, die in 928 nota bene Armenië onderwerpt. En tenslotte Johannes I Tzimiskes (969-976), onder wie Syrië, Palestina en een groot deel van Mesopotamië heroverd wordt en die als een van de grootste keizers van het Byzantijnse rijk wordt beschouwd. Dat zou hem dan ook een plaatsje in de reeks Grote Armeniërs moeten opleveren.

De volgende Armeense diaspora volgt op de val van het rijk van Cilicië in 1375. De nog steeds bestaande gemeenschappen in de meeste Oosteuropese landen zouden hiervan afstammen, en de diasporagolf uit de Turkse tijd kon bij deze gemeenschappen aansluiten. Eén van de belangrijke diasporaplaatsen is het huidige Lviv in de Oekraïne, met zijn Armeens-katholieke kathedraal, en het Poolse Kraków. Daarnaast hebben Armeniërs evenals de Turkse en de joodse minderheid beurtelings de rol van verschoppeling en betrekkelijk bevoorrechte minderheid (vergeleken met Hongaren en Duitsers) gevormd in de volksrepubliek Roemenië. Armeense soldaten speelden een rol bij het totstandkomen van het koninkrijk Moldavië (1401) en hebben zelfs een koning geleverd in de persoon van Jan de Dappere (1572-1574) aan deze voorloper van het huidige Roemenië (en Moldavië). De grootste diaspora-gemeenschap buiten Istanbul op het Balkanschiereiland bevindt zich in Bulgarije. Het grootste deel van deze gemeenschappen is rooms-katholiek althans Armeens-katholiek geworden, omdat een monofysitische immigrantenkolonie niet geduld werd. Deze diaspora lijkt het tegen te spreken dat de eigen kerk een bindmiddel is dat de Armeense identiteit garandeert. Hoe het verder gaat met de kleine, maar belangrijke Armeense gemeenschap op de Balkan is een open vraag.

Sinds 1991 is er weer een staatkundig onafhankelijk “thuisland” in de vorm van de vroegere Sowjetrepubliek. Samen met het buurland Azerbeidzjan bevindt het zich in de treurige rafelrand van Europa, evenals Tsjetsjenië dat vooralsnog als enige Kaukasusland in het nieuws is. Artzach, om onduidelijke redenen in de media steeds Nagorno Karabach genoemd (de Russische naam is Nagorny Karabach, de Azerische kortweg Karabagh), is met corridor en al veroverd op de Azeri’s, maar de prijs hiervoor is totaal isolement: Georgië, Turkije, Iran en uiteraard Azerbeidzjan zijn en blijven Armenië vijandig gezind. Een van de welvarendere delen van de voormalige Sowjetunie geeft nu aanschouwelijk onderwijs in dat vreemdste leerstuk dat het marxisme, het afsterven van de staat – al bedoelde men het waarschijnlijk anders. De moderne samenleving die zo afhankelijk is van energietoevoer functioneert nauwelijks meer en een alternatieve overlevingswijze heeft men (nog) niet ontwikkeld. Het is lang niet onmogelijk dat het verval van het nieuwe onafhankelijke Armenië voor een nieuwe diaspora zal zorgen, nu vrede in deze streken ver te zoeken blijft. De Balkan is dan niet meer de meest voor de hand liggende vluchtplaats.

Advertisements

Medewerkers/Contributors (3:2)

Peter Hatlie is sinds 1994 universitair hoofddocent Byzantinologie bij de vakgroep Nieuwgrieks aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Anthony Kirby studeerde Byzantinologie aan de Queen’s University, Belfast. Hij specialiseerde zich in de archaeologie van het Byzantijnse rijk en is werkzaam als research assistant bij de vakgroep Greek, Roman and Semitic Studies van de Queen’s University Belfast.

Annabelle Parker studeerde Byzantinologie aan de Universiteit van Amsterdam en Oosterse Mediaevistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen. In het kader van een proefschrift bereidt ze een kritische editie voor van de Vita Syncleticae. Ze maakt deel uit van de redactie van Gouden Hoorn.

André de Raaij studeerde politieke en sociale wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam, met als specialisatie geschiedenis van het Midden Oosten. Hij publiceert in diverse bladen en maakt deel uit van de redactie van Gouden Hoorn.

Neeltje Wiedemeijer studeerde Engelse Taal- en Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Naast bibliotheek- en vertaalwerk specialiseert ze zich in het verzamelen, conserveren en toegankelijk maken van traditionele kookreceptuur.

Redactioneel / Editorial (3:1 – Summer 1995)

Dit is het eerste nummer van Gouden Hoorn met een nieuwe layout. De redactie is zeer verheugd dat Jan Pieter Kunst deze taak op zich genomen heeft, en het is te hopen dat u, lezer, ook tevreden bent over het nieuwe uiterlijk van dit blad.

In dit nummer hebben we als gastschrijver Dr. Eric Hoekstra, een taalkundige met een passie voor Yeats. Omdat Byzantium een passie van Yeats was, leek het ons aardig om Eric te vragen iets over Yeats’ gedichten te schrijven, hetgeen hij tot ons grote geluk gedaan heeft.

Sir Steven Runciman krijgt in dit nummer zowel goede als kritische geluiden te horen in resp. het verslag van het 29ste Byzantijnse Symposium in Londen en het essay over de mythen in de Bosnische geschiedenis.

We streven ernaar met dit blad steeds meer mensen te bereiken die in Byzantium geïnteresseerd zijn. Als u nog geïnteresseerden kent, geef hen dan een abonnement als cadeau, of leen uw eigen Gouden Hoorn uit. Een zonnige zomer gewenst!

Editorial

This is the first issue of Gouden Hoorn with a new lay-out, thanks to Jan Pieter Kunst, who offered to make this magazine look more professional. Our guest-author, the linguist Dr Eric Hoekstra discusses Yeats’ poems ‘Byzantium’ and ‘Sailing to Byzantium’. On the basis of Donia & Fine: Bosnia and Hercegovina: a tradition betrayed (1994), André de Raaij has written an essay on the myths surrounding the Bosnian history.

In this issue there is also a summary of the 29th Spring Symposium of Byzantine Studies, King’s College London.

Contents

Byzantium en de dichter William Butler Yeats (1865-1935)

door Eric Hoekstra

“I think if I could be given a month of Antiquity and leave to spend it where I chose, I would spend it in Byzantium a little before Justinian opened St. Sophia and closed the Academy of Plato. I think I could find in some little wine-shop some philosophical worker in mosaic who could answer all my questions, the supernatural descending nearer to him than to Plotinus even, for the pride of his delicate skill would make what was an instrument of power to princes and clerics, a murderous madness in the mob, show as a lovely flexible presence like that of a perfect human body.
I think that in early Byzantium, maybe never before or since in recorded history, religious, esthetic and practical life were one, that architect and artificers … spoke to the multitude and the few alike.”1

Voor Yeats is Byzantium het symbool van het creatieve vermogen van de mens om de uit zijn eigen natuur voortkomende chaos te overwinnen door ze in de grotere structuur van een zelfgeschapen visie, uitgedrukt als kunst, te plaatsen. Die innerlijke natuurlijke chaos wordt veroorzaakt door emoties voortvloeiend uit idealen. Een voorbeeld is de natuurlijke liefde van een moeder voor haar kind: denkt zij eraan dat dat kind over 60 jaar een grijs stervend oudje is? Natuurlijk niet: zij heeft een ideaalbeeld voor ogen. “What youthful mother … / Would think her son, did she but see that shape / With sixty or more winters on its head, / A compensation for the pang of his birth, / Or the uncertainty of his setting forth?”2 Twee van Yeats zijn bekendste gedichten behandelen de tweespalt tussen natuur en kunst. Deze gedichten zijn beide geschreven enkele jaren nadat Yeats in 1923 de Nobelprijs voor Literatuur won.

Het eerste is getiteld “Sailing to Byzantium”.3 De natuur wordt hier gepersonifieerd door de minnende paartjes en door de zee die vol met leven zit, kortom sterfelijk en stervend spul: ” … The young / In one another’s arms, birds in the trees / — Those dying generations — at their song, / The salmon-falls, the mackarel-crowded seas, / Fish, flesh, or fowl, commend all summer long / Whatever is begotten, born, and dies. Caught in that sensual music all neglect / Monuments of unageing intellect.” De protagonist gaat aan die stervende zee voorbij: “And therefore I have sailed the seas and come / To the holy city of Byzantium”. Byzantium wordt ons voorgeschoteld als het symbool van de ontsnapping via het onsterfelijke door het intellect geschapen kunstwerk. “Once out of nature I shall never take / My bodily form from any natural thing, / But such a form as Grecian goldsmiths make / Of hammered gold and gold enamelling”. Bij het benodigde leerproces wordt hij door wijsgeren geholpen: “O sages standing in God’s holy fire / As in the gold mosaic of a wall”. Zelfs de mozaïeken van Byzantium ontbreken hierbij dus niet.

De critici4 zijn van mening dat deze “ontsnapping” niet geloofwaardig overkomt, vooral omdat Yeats er zelf niet in gelooft al doet hij erg zijn best om zichzelf te overtuigen. Hij legt namelijk wel erg zwaar de nadruk op het stervensaspect van de natuur. Bovendien, als hij dan een kunstwerk is, dan is zijn functie “To keep a drowsy emperor awake; / Or set upon a golden bough to sing / To lords and ladies of Byzantium / Of what is past, or passing, or to come”. Yeats is bepaald niet het type om de rest van zijn dagen als “objet d’art” te slijten. Hij wil dat zichzelf weliswaar graag wijsmaken, maar uiteindelijk blijven de conflicten, tussen natuur en ideaal (en andere tegenstellingen), bestaan. De criticus Donoghue ziet daarom een nauwe verwantschap met Nietzsche en beweert (p. 16) dat “Yeats delights in conflict … If we select a value and say it is dear to Yeats, we may be right, but only if we allow equal recognition to its opposite”.

In het andere gedicht, “Byzantium”,5 worden de tegenstellingen echter wel op een overtuigende wijze overstegen. De zee (natuur) is daar niet gescheiden van Byzantium. De dolfijnen in de zee brengen de zielen van de overledenen juist naar Byzantium toe, opdat ze daar in de smidse van creativiteit zuiver gemaakt worden: “Astraddle on the dolphin’s mire and blood, / Spirit after spirit! The smithies break the flood, / The golden smithies of the emperor!”.

In het gedeelte van dat over de cultuur van Byzantium gaat (p. 279-282) spreekt Yeats er zijn waardering over uit dat Satan in Byzantium nog is “the still half-divine Serpent, never the horned scarecrow of the didactic Middle Ages”. Hiermee bedoelt hij dat het nobel is om je vijand mooi af te schilderen, en verachtelijk om hem zwart te maken. Dit volgt uit de eenheid der tegenstellingen: wie een zwakke vijand kiest is zelf zwak. Dat Byzantium een sterke en mooie Satan schiep strekt tot eer.

Dergelijke observaties schragen, althans in zijn eigen ogen, het ideaalbeeld dat Yeats van Byzantium heeft.

Noten

1 A Vision (1937/1981, Macmillan, London), p. 279. A Vision is het mystiek-filosofische hoofdwerk van Yeats, sterk beïnvloed door verschillende occulte tradities.

2 Uit wat volgens critici Yeats’ beste gedicht is, namelijk “Among School Children”, Collected Poems (1950/1979, Macmillan, London), p. 242-245.

3 Collected Poems, p. 217-218.

4 Ik maak gebruik van de analyses van J. Unterecker A Reader’s Guide to W.B. Yeats (1959/1975, Thames and Hudson, London), R. Ellmann Yeats. The Man and the Masks (1948/1979, O.U.P., Oxford) en D. Donoghue Yeats (1971, Fontana/Collins, London).

5 Collected Poems, p. 280-281.


SAILING TO BYZANTIUM

I
That is no country for old men. The young
In one another’s arms, birds in the trees
— Those dying generations — at their song,
The salmon-falls, the mackerel-crowded seas,
Fish, flesh, or fowl, commend all summer long
Whatever is begotten, born, and dies.
Caught in that sensual music all neglect
Monuments of unageing intellect.

II
An aged man is but a paltry thing,
A tattered coat upon a stick, unless
Soul clap in its hands and sing, and louder sing
For every tatter in its mortal dress,
Nor is there singing school but studying
Monuments of its own magnificence;
And therefore I have sailed the seas and come
To the holy city of Byzantium.

III
O sages standing in God’s holy fire
As in the gold mosaic of a wall,
Come from the holy fire, perne in a gyre,
And be the singing-masters of my soul.
Consume my heart away; sick with desire
And fastened to a dying animal
It knows not what it is; and gather me
Into the artifice of eternity.

IV
Once out of nature I shall never take
My bodily form from any natural thing,
But such a form as Grecian goldsmiths make
Of hammered gold and gold enamelling
To keep a drowsy Emperor awake;
Or set upon a golden bough to sing
To lords and ladies of Byzantium
Of what is past, or passing, or to come.

1927

BYZANTIUM

The unpurged images of day recede;
The Emperor’s drunken soldiery are abed;
Night resonance recedes, night-walkers’ song
After great cathedral gong;
A starlit or a moonlit dome disdains
All that man is,
All mere complexities,
The fury and the mire of human veins.

Before me floats an image, man or shade,
Shade more than man, more image than a shade;
For Hades’ bobbin bound in mummy-cloth
May unwind the winding path;
A mouth that has no moisture and no breath
Breathless mouths may summon;
I hail the superhuman;
I call it death-in-life and life-in-death.

Miracle, bird or golden handiwork,
More miracle than bird or handiwork,
Planted on the star-lit golden bough,
Can like the cocks of Hades crow,
Or, by the moon embittered, scorn aloud
In glory of changeless
Common bird or petal
And all complexities of mire or blood.

At midnight on the Emperor’s pavement flit
Flames that no faggot feeds, nor steel has lit,
Nor storm disturbs, flames begotten of flame,
Where blood-begotten spirits come
And all complexities of fury leave,
Dying into a dance,
An agony of trance,
An agony of flame that cannot singe a sleeve.

Astraddle on the dolphin’s mire and blood,
Spirit after spirit! The smithies break the flood,
The golden smithies of the Emperor!
Marbles of the dancing floor
Break bitter furies of complexity,
Those images that yet
Fresh images beget,
That dolphin-torn, that gong-tormented sea.

1930

De dodelijke mythen rond Bosnië-Hercegowina

door André de Raaij

Het erkennen van het recht op afscheiding uit Joegoslavië betekende al voordat deze federatieve republiek uiteenviel het doodvonnis voor de deelstaat Bosnië-Hercegowina. Als het Kroaten, Serviërs en moslims volgens de internationale gemeenschap zichtbaar onmogelijk was verder samen te leven in Joegoslavië, dan was er geen reden optimistisch te zijn over de toekomst van Bosnië-Hercegovina, waar deze “onmogelijke” combinatie zich zou voordoen. De politieke tragedie heeft zich voor ieders ogen afgespeeld: binnen de Joegoslavische federatie blijven zou voor Bosnië partij kiezen voor Servië betekenen, want dit land domineerde in het restant van Joegoslavië, na het wegvallen van Slovenië en Kroatië. En waartoe het kiezen voor onafhankelijkheid zou leiden is de tragedie die zich nog dagelijks voor een steeds minder geïnteresseerd publiek in de media afspeelt.

Tegenover Bosnië (kortheidshalve noem ik het land verder zo) wordt meer nog dan tegenover Joegoslavië een absurd fatalisme gekoesterd. Joegoslavië heet plotseling volgens de communis opinio al “eigenlijk van begin af aan niet levensvatbaar”, Bosnië heeft volgens dezelfde opinie in feite nooit bestaan. En met terugwerkende kracht worden de Slavische volkeren van het Balkan-schiereiland tot in de vroege Middeleeuwen als elkaars verklaarde doodsvijanden afgeschilderd. Slechts Byzantijnen, Hongaren, Oostenrijkers, Turken, royalisten en communisten hebben weten tegen te houden wat zich nu onweerstaanbaar als in gehoorzaamheid aan oerdriften baanbreekt: de onwenselijkheid dat katholieken, islamieten en orthodoxen in hetzelfde huizenblok zouden wonen. Wat in de wereld van de NAVO-leden als fascistoïde opinie geldt wordt aan “die mensen” op het Balkan-schiereiland als een soort ongeneeslijke ziekte toegeschreven. Waarbij er gemakshalve aan voorbijgegaan wordt dat velen in Joegoslavië nooit gewild hebben dat dit land op deze wijze uiteen zou vallen, en dat tot vandaag aan toe de regering van Bosnië het ideaal koestert van een onverdeeld samenleven van alle geloven of nationaliteiten in één onverdeeld land. Dit laatste wordt door de media eenvoudig glashard weggepoetst: de Bosnische regering, dat zijn “de moslims”, eventueel in federatief verband met “de Kroaten”. Dat de meerderheid van de islamitische Bosniërs (om van de katholieke en orthodoxe even te zwijgen) waarschijnlijk nog steeds voor de eigen multiculturele samenleving zou kiezen, als haar daartoe de vrijheid werd gelaten, wordt met deze mediabezweringen niet eens voor kennisgeving aangenomen. Het wordt met deze naamgeving geheel ontkend. (Een vergelijkbare manipulatie is de vereenzelviging van “Bosniërs” met “moslims”, als derde partij naast Kroaten en Serviërs).

In de huidige oorlog wordt met veel geroffel op eigen borstkassen een beroep gedaan op “De Geschiedenis” — als er al geen glorieus middeleeuws Kroatië geweest is dat de huidige apartheidrepubliek van Zagreb moet legitimeren, dan is het heldhaftige Servië schitterend ten onder gegaan in 1389 bij de slag tegen de Turken in Kosovo (meteen ook een mooie legitimatie voor het Servische apartheidsregime tegen de Albanezen). Bij het tevoorschijntoveren van deze dubieuze historische kadavers wordt er aan voorbijgegaan dat Bosnië al sinds de twaalfde eeuw bestond als onafhankelijk land, en dat de grenzen van het huidige “onbestaanbare” land al sinds de veertiende eeuw ongeveer de huidige trekken hebben. In 1180 was het definitief gedaan met de Byzantijnse suzereiniteit over Bosnië, hierna eiste Hongarije de rol van overheerser op. In de praktijk is Hongarije deze rol blijven eisen tot de Turkse tijd, maar Bosnië bleef in feite onafhankelijk – pas in 1878 zou het alsnog even zijn zin krijgen.

Een continuïteit in het bestaan van Bosnië past niet in de met automatische geweren versterkte vertogen van Kroaten, Serviërs en — ze zijn er wel degelijk, en het steeds apart vermelden werkt als een zich waarmakende voorspelling — radicale moslims. Toch is deze continuïteit er, en de enige manier om haar te ontkennen is de grootscheepse toepassing van geweld, en dit is precies wat er gebeurt. Er zijn in Europa heel wat landen die korter bestaan dan sinds 1180, en die niet tot doodgeboren kindjes worden verklaard.

Het belangrijkste dynamiet onder Bosnië als zelfstandige staat is de negentiende-eeuwse ontdekking van de Kroatische respectievelijk de Servische nationaliteit. Er waren (en zijn, ook al proberen de regimes er nu “iets aan te doen”) geen taalverschillen tussen beide volken, dus is de identificatie rooms-katholiek = Kroatisch en orthodox = Servisch het eenvoudigst. En wat is nu de op middeleeuwse geschiedenismythen gebaseerde “identiteit” van de moslims? Hier wordt tot op het hoogste (regerings)niveau het romantische verhaal gekoesterd van de onverzettelijke Bogomielen die liever Turks dan paaps werden. Dat het bogomilisme zo zou zijn aangeslagen in Bosnië is een verhaal dat ook niet de minsten onder de byzantinologen, bijvoorbeeld Steven Runciman, doorvertellen. Dit kan bij de gratie van het feit dat er zo weinig bekend is over de kerstening van Bosnië. De autocefale Bosnische Kerk, waartegen op verzoek van Hongarije zelfs kruistochten zijn ondernomen, wordt gemakshalve als bogomilisch aangeduid. Volgens Donia en Fine, wier betoog ik hier parafraseer, is dit zeker onjuist, en is iedere veronderstelling over massale aanhang van bogomielen en daaropvolgende bekering tot de islam evenzeer onjuist. Het enige dat met zekerheid te zeggen valt is dat het christendom tot de Turkse verovering (1463-1481) nog geen grote vorderingen had gemaakt in het moeilijk toegankelijk berggebied van Bosnië. Veel bekeringswerk is gedaan door franciscaner monniken, wier geestelijke nazaten nu “dus” als vanzelfsprekend tot Kroaten verklaard worden. De monniken zijn er nog steeds en hebben een rol gespeeld bij het ontstaan van de Kroatische mythe in de vorige eeuw, maar wijzen nu de oorlog af.

Er waren niet veel kloosters in Bosnië tot 1463. De autocefale kerk is onder het Turkse bewind verdwenen, maar hieruit concluderen dat haar aanhang en masse islamitisch is geworden is niet gewettigd. Vele leden van deze Kerk zijn rooms-katholiek of orthodox geworden, de opvallende aanwezigheid van een grote groep islamieten in Bosnië kan eerder verklaard worden uit sociale factoren. De islam heeft trouwens ook niet een diepe indruk gemaakt op de Bosniërs, evenmin als het christendom. Tolerantie is, betogen Donia en Fine, van oudsher het kenmerk geweest van de Bosnische samenleving.

Zij weten dit alleszins aannemelijk te maken in Bosnia and Hercegovina: a tradition betrayed, maar de verklaring blijft uit hoe het komt dat dit land nu juist het treurige voorbeeld van gebrek aan tolerantie is, hoe het kon worden tot het strijdtoneel van de zwaarste Europese oorlog sinds 1945. Dat het uiteenvallen van Joegoslavië en daarmee de Bosnische oorlog vermijdbaar is geweest staat vast. Het is nu helaas te laat. Belangrijk is dat de mythen over het verleden (“De Geschiedenis” zullen de mythomanen zeggen, maar dat is te veel eer) worden bestreden. Hiertoe bieden Donia en Fine goed en overtuigend materiaal dat een betere verspreiding verdient.

Literatuur

Robert J. Donia & John V.A. Fine Jr., Bosnia and Hercegovina: a tradition betrayed. London: Hurst and Company, 1994.

Through the looking-glass: British reflections of Byzantium – Verslag van het 29th Spring Symposium of Byzantine Studies, King’s College, London

door Annabelle Parker

Van vrijdag 7 tot en met maandag 10 april vond het jaarlijkse Britse symposium plaats. Tegelijkertijd was de tentoonstelling ‘Byzantium, treasures of Byzantine art and culture from British collections’ in het British Museum, die vanaf 8 december al te bewonderen was (zie onder Byz-Niz het verslag van Jamilla Luyckx-Westerop in het Financieel Dagblad).

Het symposium was onderverdeeld in verschillende sessies. Hieronder in het kort genoemd met de opmerkelijkste bijdragen:

I: The Middle Ages: David Buckton over Byzantijnse vondsten (gebruiksvoorwerpen, juwelen, etc.) in Engeland in de Angelsaksische tijd.

II: The Renaissance to the Enlightenment: Anthony Bryer over het nog weinig onderzochte bezoek van ene Nicander aan Henry VIII, waarin verslag wordt gedaan van hoe een Byzantijn de Engelse vrouwen zag: ‘they are always kissing’. Als main paper David Womersley over ‘Gibbon and Byzantium: classical example and commercial society’. Naar aanleiding van het verschijnen van een nieuwe kritische editie van Gibbon’s Decline and Fall… door Womersley. Gibbon zag na Justinianus I de neergang van het Romeinse Rijk. Tijdens de discussie zei Averil Cameron dat Gibbon zich grotendeels baseert op wat Procopius heeft geschreven ten tijde van Justinianus. Womersley antwoordde dat Gibbon Procopius aanvult, zonder hem te willen uitschakelen.

Later op zaterdag kregen we mooie Orthodoxe Vespers te horen in King’s College Chapel.

III: The Enlightenment and Romanticism: Andrew Palmer hield een heldere lezing over ‘British reflections on the Syrian Orient’.

Zondag was het tijd voor:

IV: Art and Crafts: Byzantium in British Art, maar uw verslaggever bevond zich tot de lezing van Cyril Mango: ‘The British discovery of Constantinople: the Golden Gate reliefs’ in resp. een Ethiopisch-orthodoxe kerk en bij de fam. Palmer thuis.

Maandag de 10de april waren er eerst Communications, gevolgd door ‘The twentieth century’ I en II. De lezing van Averil Cameron was erg interessant: in ‘From Bury to Baynes’ behandelde ze de grote Britse historici die iets te maken hadden gehad met Byzantium. Toynbee plaatste Byzantium in de wereldgeschiedenis, Bury zag Byzantium als voortzetting van Griekenland, terwijl Baynes Byzantium als een voortzetting van Rome zag. Baynes is een voorbeeld geweest voor onder andere Peter Brown. “If I’d had to choose, I’d choose Baynes”, zei de voordrachtgeefster. Sir Steven Runciman voegde er aan toe: “Baynes is the best lecturer I’ve ever heard: his remarks were so much better than mine”.

De beste, interessantste en best voorgedragen lezing was de laatste, die van Liz James: “As the actress said to the bishop… British perceptions of women and Byzantium.” James toonde hoe Byzantijnse vrouwen werden afgeschilderd in Britse ‘literatuur’ van de 19de en 20ste eeuw door veel titels en citaten te geven. Ze had echt haar best gedaan om zoveel mogelijk (pulp)romans te lezen voor haar publiek. De vrouwelijke hoofdpersoon wordt altijd geseksualiseerd in romans: een groot aantal heeft Theodora, de vrouw van Justinianus I, als hoofdpersoon, en haar achtergrond (danseres) wordt altijd benadrukt. Nu is dat bij Theodora misschien voordehandliggend, maar de kitsch-beschrijvingen liegen er niet om. Voor Gouden Hoorn was de lezing ook interessant, omdat de rubriek ‘bibliografie van Byzantijnse historische romans’ wel weer om titels van romans verlegen zit. Zodra James haar artikel met bibliografie heeft gepubliceerd, zal het besproken worden in deze rubriek in Gouden Hoorn .

Het symposium werd afgesloten met een round-table discussion voorgezeten door Margaret Mullett. De discussie vond plaats tussen verschillende generaties Byzantinisten en ging om de vragen ‘hoe ben je erbij gekomen om het te gaan studeren’ en ‘welke toekomst zie je voor Byzantinologie?’. Steven Runciman, de oudste van het gezelschap, vertelde dat hij als leerling van Bury zichzelf grotendeels de studie heeft eigen gemaakt. Cyril Mango (Oxford), Anthony Bryer (Birmingham), Judith Herrin (Princeton), Rowena Loverace (British Museum), Liz James (Brighton) en twee jonge studentes deden mee met de discussie. Uit het gesprek bleek dat kennis van klassiek Grieks nog steeds van belang geacht wordt voor de studie Byzantinologie. Runciman achtte een klassieke opleiding van bijna essentieel belang. Bryer voegde eraan toe, dat Grieks tegenwoordig ‘taylor-made’ geleerd kan worden in bijvoorbeeld Belfast. Zijn motto voor Byzantijnse Studies was: ‘The great attraction is that anyone can have a go.’ Herrin benadrukte de interdisciplinaire kant van de studie, waardoor deze veel verschillende ingangen heeft. Volgens Mango is er nog steeds enorm veel werk te doen, bijvoorbeeld de teksten kritisch uitgeven en vertalen. Maar volgens hem blijft het een moeilijke studie, ook als alle 170 delen van Migne vertaald zullen zijn.

Het symposium werd afgesloten met de mededeling dat het volgende, 30ste, op 23-26 maart 1996 zal plaatsvinden in Birmingham met als thema: ‘Dead or alive? Material culture in 9th century Byzantium.’

Byz-Niz Berichten uit de O.B.O.-burelen (3:1)

Congressen/Symposia

21-26 aug.’95: Oxford, Twelfth International Conference on Patristic Studies.

14-17 sept.’95: Portaferry, Co. Down: ter ere van de 21ste verjaardag van Byzantine Studies aan de Queen’s University Belfast is er een colloquium georganiseerd dat zal gaan over het Evergetis-project getiteld: ‘Work and worship at the Theotokos Evergetis c.1050 – c.1200’ .

Nov.’95: Paris-Auxerre, ‘Le miracle est-il nécessaire au saint? Les saints et leur miracles à travers l’hagiographie chrétienne et islamique (IIIe-XVe siècle).

9-11 nov.’95: New York, 21st Annual Byzantine Studies Conference, New York University.

9-12 nov.’95: Londen, ‘Material for village and urban economies in the early Byzantine Near East in the 6th- 8th centuries: Trade and Exchange in the period 565-750, Late Antiquity and early Islam’, School of African and Oriental Studies.

Tentoonstellingen

Tot en met 10 sept.: tentoonstelling religieus museum te Uden (Vorstenburg 1): ‘De grote en kleine Antonius’. Betreft de verering van Antonius Abt en Antonius van Padua.

Discussielijsten

Internet-gebruikers kunnen wat betreft Byzantium onder andere meedoen aan de volgende discussielijsten:

Late Antiquity

An unmoderated list that provides a discussion forum for topics relating to Late Antiquity (c. AD 260-640)

Stuur een e-mail bericht naar: listserv@univscvm.csd.scarolina.edu

Laat de ‘subject regel’ open en typ:

SUBSCRIBE LT-ANTIQ [uw naam]

Byzantium

Stuur een e-mail bericht naar: listserv@mizzou1.missouri.edu

Laat de ‘subject regel’ open en typ:

SUBSCRIBE BYZANS-L [uw naam]

Evergetis

Gaat u een Byzantijns klooster bezoeken, of heeft u er één bezocht? Heeft u fotomateriaal of dia’s? Het Evergetis-project aan de Queen’s University te Belfast beheert een archeologisch foto-archief ter ondersteuning van hun onderzoek. Er is namelijk geen enkel overblijfsel van het Theotokos-Evergetis-klooster dat in de elfde eeuw in Constantinopel stond. Daarom en ook vanwege de waarde van zo’n verzameling voor later onderzoek, leek het de project-medewerkers de moeite waard materiaal over kloosters uit de middel-Byzantijnse tijd te verzamelen in een archief.

Als u kunt meewerken aan het archief door materiaal (bijv. foto’s) beschikbaar te stellen, kunt u contact opnemen met:

Evergetis Project, Byzantine Studies,
Queen’s University of Belfast
Belfast BT7 1NN

Byzantium in de pers

In De Volkskrant van 17 maart 1995 verscheen aan artikel over de Alawieten in Nederland; in Het Financieële Dagblad van 14-16 januari 1995 verscheen het artikel ‘Schitterende symbolen uit Byzantium’ van Jamilla Luijckx-Westerop, over de grote Byzantium-tentoonstelling die in het British Museum te zien was tot half april 1995.