Armenië en de Balkan

door André de Raaij

Al in het midden van de tweede eeuw is het christendom in Armenië gearriveerd, in 301 moet Gregorius Illuminator de Armeense koning Tiridates III bekeerd hebben, in de tijd dat Armenië zich juist weer eens van Perzische overheersing had bevrijd. Het werd daardoor meteen staatsgodsdienst en het kreeg een nationalistisch karakter. Dat de Armeniërs zich als het oudste christelijke volk beschouwen is dus in zoverre juist, dat het christendom nergens eerder staatsgodsdienst is geworden. Toen het land opnieuw onder Perzische overheersing kwam (389) diende de bijbelvertaling en de eigen christelijke literatuur als nationaal bindmiddel. Onder katholikos Sahak (390-439) werd het eigen alfabet ontwikkeld door bisschop Mesrob Masjtots, die ook het Georgische alfabet heeft ontworpen.

In 451 werd de Perzische overheersing voorlopig afgeschud. Het was het jaar van het concilie van Chalcedon, waar Armenië niet vertegenwoordigd was, te druk verwikkeld als het was in de strijd. Toen de bevrijding een (voorlopig) feit was en men van de besluiten van de synode vernam, wees men deze af. In 505 koos de Armeense kerk formeel voor het monofysitisme.

Het is hier niet de plaats om de gehele verwarrende geschiedenis van strijd met omliggende rijken in een notedop te verhalen: Perzen, Arabieren, Georgiërs, Turken, kruisvaarders, Russen – afgezien van de onderlinge strijd. Niet omdat het verhaal overmatig bekend is. De deportatie en uitmoording van ruim een miljoen Armeniërs in 1915 in de nadagen van het Osmaanse rijk was niet de eerste maar zeker wel de grootste “moderne” genocide van haar tijd. Er wordt van officiële Turkse zijde nog steeds bagatelliserend over gedaan, in termen die alleen maar lijken te bevestigen dat er iets heel erg is misdaan: het valt reuze mee met de aantallen, eigenlijk is het ook niet waar en bovendien zijn zij begonnen (het doet denken aan de DDR-anekdote: er zijn geen politieke gevangenen in onze republiek en bovendien worden ze goed behandeld).

De “Armenierlüge” wordt voortgezet: de grote pogroms van Sumgait in Azerbeidzjan (februari 1988) en van Baku (januari 1990) waren begonnen door KGB-agenten, wellicht van Armeense afkomst en vallen in het niet bij de veel afschuwelijker slachting van Azeri’s door Armeniërs in Hocali (februari 1992). Het verhaal van de door de geheime dienst van de Sowjet-Unie opgezette pogrom is een merkwaardige echo van de pogrom tegen de Armeniërs van Baku in 1905, die door keizerlijke agenten zou zijn opgezet, zoals ook de hieropvolgende anti-Azeripogrom in Erevan door dergelijke agenten gestart zou zijn. Verdeel en heers, onmogelijk is het niet. Het tegen elkaar opbieden in slachtofferigheid van Azeri’s en Armeniërs de afgelopen jaren maakt het wel nogal makkelijk te besluiten geen partij te kiezen.

Het Armeense gebied is al zo’n twintig eeuwen lang achtereen bij verdrag of in oorlog verdeeld: de laatste keer tussen Turkije en Rusland, waarbij bepaald werd dat Nachitsjewan, een groot grensgebied tussen Armenië en Iran “voor altijd” bij Azerbeidzjan zou horen (hetgeen weer eens een etnische zuivering tot gevolg had, zodat er nu in het geheel geen Armeniërs meer in dit gebied wonen). Een andere verdeling was die tussen Perzen en Romeinen van 387.

De wederwaardigheden van de oostgrens van het Romeinse (Byzantijnse) rijk in deze streken vormen een onoverzichtelijk, verwarrend en waarschijnlijk ook vermoeiend verhaal. Het eindigt in 1045, als het gehele Armenië weer eens onder Byzantijnse suzereiniteit komt te vallen, tot de Turken in 1071 voorgoed een einde maken aan de Byzantijnse bemoeienis met deze streken. Omdat die laatste kwarteeuw werd gekenmerkt door zware vervolging van monofysieten heeft de wisseling van onderdrukker niet eens zo veel verschil gemaakt.

Er zijn verscheidene golven van immigratie van Armeniërs naar het Balkanschiereiland geweest. De eerste was bij wijze van deportatie en om deze strijdbare mensen bij de verdediging van het rijk in te zetten op een plaats waar zij niet in de meerderheid waren. Dit is één interpretatie van de aanwezigheid van Armeniërs sinds de achtste/negende eeuw na Christus op de Balkan (de Indoeuropese taal van de huidige Armeniërs zou afkomstig zijn van dit schiereiland, in ieder geval ver voor de zevende eeuw voor onze jaartelling, dus volgens een bepaalde logica kan men het als een terugkeer zien). Doordat er onder de Armeniërs van oudsher zoroastriaanse en manichese opvattingen verspreid waren, en het Paulicianisme ook opgang in hun gelederen heeft gemaakt, worden zij wel gezien als de geestelijke voorouders van de bogomielen. Wij bevinden ons hier op zeer onvast historisch terrein. Een andere interpretatie van de prominente aanwezigheid van Armeniërs op het Balkanschiereiland en hun ketterse opvattingen is, dat zij regelmatig verward zijn met het volk van de Arumeniërs, thans meestal Vlachen genoemd, wier taal sterk verwant of identiek is aan die van wat nu Roemenië heet. In Constantinopel was men zo vervreemd, is de verdere uitleg, van het Latijn en de opvolgers daarvan, dat men Arumeens niet van Armeens kon onderscheiden en met elkaar verwarde. Dit zou speciaal gelden voor tsaar Samuel van de Bulgaren (eind tiende eeuw); het gaat hier om al even speculatieve ideeën, het staat in het geheel niet vast of Samuel Armeens of Arumeens is geweest. Het enige dat vaststaat, zou men kunnen concluderen, is dat er veel onduidelijkheid is over heel wat aspecten van de geschiedenis van het Balkanschiereiland, en zolang er vermeende nationale belangen een rol blijven spelen bij de geschiedschrijving zal het er niet veel duidelijker op worden.

Hoewel het Latijn al snel na de splitsing van het Romeinse rijk in onbruik raakte in het oosten kan dit niet als argument gelden voor het verwarren van Arumeens of Vlachisch met het Armeens.

De traditie wil dat Byzantium zeker drie Armeense (en dus niet Vlachische) keizers heeft gehad: Leo V, bijgenaamd de Armeniër (813-820), een iconoclast die met kerstmis voor het hoofdaltaar van de Hagia Sophia vermoord is ten overstaan van de gelovigen; Romanus I Lecapenus (920-944), zoon van een Armeense boer, die in 928 nota bene Armenië onderwerpt. En tenslotte Johannes I Tzimiskes (969-976), onder wie Syrië, Palestina en een groot deel van Mesopotamië heroverd wordt en die als een van de grootste keizers van het Byzantijnse rijk wordt beschouwd. Dat zou hem dan ook een plaatsje in de reeks Grote Armeniërs moeten opleveren.

De volgende Armeense diaspora volgt op de val van het rijk van Cilicië in 1375. De nog steeds bestaande gemeenschappen in de meeste Oosteuropese landen zouden hiervan afstammen, en de diasporagolf uit de Turkse tijd kon bij deze gemeenschappen aansluiten. Eén van de belangrijke diasporaplaatsen is het huidige Lviv in de Oekraïne, met zijn Armeens-katholieke kathedraal, en het Poolse Kraków. Daarnaast hebben Armeniërs evenals de Turkse en de joodse minderheid beurtelings de rol van verschoppeling en betrekkelijk bevoorrechte minderheid (vergeleken met Hongaren en Duitsers) gevormd in de volksrepubliek Roemenië. Armeense soldaten speelden een rol bij het totstandkomen van het koninkrijk Moldavië (1401) en hebben zelfs een koning geleverd in de persoon van Jan de Dappere (1572-1574) aan deze voorloper van het huidige Roemenië (en Moldavië). De grootste diaspora-gemeenschap buiten Istanbul op het Balkanschiereiland bevindt zich in Bulgarije. Het grootste deel van deze gemeenschappen is rooms-katholiek althans Armeens-katholiek geworden, omdat een monofysitische immigrantenkolonie niet geduld werd. Deze diaspora lijkt het tegen te spreken dat de eigen kerk een bindmiddel is dat de Armeense identiteit garandeert. Hoe het verder gaat met de kleine, maar belangrijke Armeense gemeenschap op de Balkan is een open vraag.

Sinds 1991 is er weer een staatkundig onafhankelijk “thuisland” in de vorm van de vroegere Sowjetrepubliek. Samen met het buurland Azerbeidzjan bevindt het zich in de treurige rafelrand van Europa, evenals Tsjetsjenië dat vooralsnog als enige Kaukasusland in het nieuws is. Artzach, om onduidelijke redenen in de media steeds Nagorno Karabach genoemd (de Russische naam is Nagorny Karabach, de Azerische kortweg Karabagh), is met corridor en al veroverd op de Azeri’s, maar de prijs hiervoor is totaal isolement: Georgië, Turkije, Iran en uiteraard Azerbeidzjan zijn en blijven Armenië vijandig gezind. Een van de welvarendere delen van de voormalige Sowjetunie geeft nu aanschouwelijk onderwijs in dat vreemdste leerstuk dat het marxisme, het afsterven van de staat – al bedoelde men het waarschijnlijk anders. De moderne samenleving die zo afhankelijk is van energietoevoer functioneert nauwelijks meer en een alternatieve overlevingswijze heeft men (nog) niet ontwikkeld. Het is lang niet onmogelijk dat het verval van het nieuwe onafhankelijke Armenië voor een nieuwe diaspora zal zorgen, nu vrede in deze streken ver te zoeken blijft. De Balkan is dan niet meer de meest voor de hand liggende vluchtplaats.

Advertisements

De dodelijke mythen rond Bosnië-Hercegowina

door André de Raaij

Het erkennen van het recht op afscheiding uit Joegoslavië betekende al voordat deze federatieve republiek uiteenviel het doodvonnis voor de deelstaat Bosnië-Hercegowina. Als het Kroaten, Serviërs en moslims volgens de internationale gemeenschap zichtbaar onmogelijk was verder samen te leven in Joegoslavië, dan was er geen reden optimistisch te zijn over de toekomst van Bosnië-Hercegovina, waar deze “onmogelijke” combinatie zich zou voordoen. De politieke tragedie heeft zich voor ieders ogen afgespeeld: binnen de Joegoslavische federatie blijven zou voor Bosnië partij kiezen voor Servië betekenen, want dit land domineerde in het restant van Joegoslavië, na het wegvallen van Slovenië en Kroatië. En waartoe het kiezen voor onafhankelijkheid zou leiden is de tragedie die zich nog dagelijks voor een steeds minder geïnteresseerd publiek in de media afspeelt.

Tegenover Bosnië (kortheidshalve noem ik het land verder zo) wordt meer nog dan tegenover Joegoslavië een absurd fatalisme gekoesterd. Joegoslavië heet plotseling volgens de communis opinio al “eigenlijk van begin af aan niet levensvatbaar”, Bosnië heeft volgens dezelfde opinie in feite nooit bestaan. En met terugwerkende kracht worden de Slavische volkeren van het Balkan-schiereiland tot in de vroege Middeleeuwen als elkaars verklaarde doodsvijanden afgeschilderd. Slechts Byzantijnen, Hongaren, Oostenrijkers, Turken, royalisten en communisten hebben weten tegen te houden wat zich nu onweerstaanbaar als in gehoorzaamheid aan oerdriften baanbreekt: de onwenselijkheid dat katholieken, islamieten en orthodoxen in hetzelfde huizenblok zouden wonen. Wat in de wereld van de NAVO-leden als fascistoïde opinie geldt wordt aan “die mensen” op het Balkan-schiereiland als een soort ongeneeslijke ziekte toegeschreven. Waarbij er gemakshalve aan voorbijgegaan wordt dat velen in Joegoslavië nooit gewild hebben dat dit land op deze wijze uiteen zou vallen, en dat tot vandaag aan toe de regering van Bosnië het ideaal koestert van een onverdeeld samenleven van alle geloven of nationaliteiten in één onverdeeld land. Dit laatste wordt door de media eenvoudig glashard weggepoetst: de Bosnische regering, dat zijn “de moslims”, eventueel in federatief verband met “de Kroaten”. Dat de meerderheid van de islamitische Bosniërs (om van de katholieke en orthodoxe even te zwijgen) waarschijnlijk nog steeds voor de eigen multiculturele samenleving zou kiezen, als haar daartoe de vrijheid werd gelaten, wordt met deze mediabezweringen niet eens voor kennisgeving aangenomen. Het wordt met deze naamgeving geheel ontkend. (Een vergelijkbare manipulatie is de vereenzelviging van “Bosniërs” met “moslims”, als derde partij naast Kroaten en Serviërs).

In de huidige oorlog wordt met veel geroffel op eigen borstkassen een beroep gedaan op “De Geschiedenis” — als er al geen glorieus middeleeuws Kroatië geweest is dat de huidige apartheidrepubliek van Zagreb moet legitimeren, dan is het heldhaftige Servië schitterend ten onder gegaan in 1389 bij de slag tegen de Turken in Kosovo (meteen ook een mooie legitimatie voor het Servische apartheidsregime tegen de Albanezen). Bij het tevoorschijntoveren van deze dubieuze historische kadavers wordt er aan voorbijgegaan dat Bosnië al sinds de twaalfde eeuw bestond als onafhankelijk land, en dat de grenzen van het huidige “onbestaanbare” land al sinds de veertiende eeuw ongeveer de huidige trekken hebben. In 1180 was het definitief gedaan met de Byzantijnse suzereiniteit over Bosnië, hierna eiste Hongarije de rol van overheerser op. In de praktijk is Hongarije deze rol blijven eisen tot de Turkse tijd, maar Bosnië bleef in feite onafhankelijk – pas in 1878 zou het alsnog even zijn zin krijgen.

Een continuïteit in het bestaan van Bosnië past niet in de met automatische geweren versterkte vertogen van Kroaten, Serviërs en — ze zijn er wel degelijk, en het steeds apart vermelden werkt als een zich waarmakende voorspelling — radicale moslims. Toch is deze continuïteit er, en de enige manier om haar te ontkennen is de grootscheepse toepassing van geweld, en dit is precies wat er gebeurt. Er zijn in Europa heel wat landen die korter bestaan dan sinds 1180, en die niet tot doodgeboren kindjes worden verklaard.

Het belangrijkste dynamiet onder Bosnië als zelfstandige staat is de negentiende-eeuwse ontdekking van de Kroatische respectievelijk de Servische nationaliteit. Er waren (en zijn, ook al proberen de regimes er nu “iets aan te doen”) geen taalverschillen tussen beide volken, dus is de identificatie rooms-katholiek = Kroatisch en orthodox = Servisch het eenvoudigst. En wat is nu de op middeleeuwse geschiedenismythen gebaseerde “identiteit” van de moslims? Hier wordt tot op het hoogste (regerings)niveau het romantische verhaal gekoesterd van de onverzettelijke Bogomielen die liever Turks dan paaps werden. Dat het bogomilisme zo zou zijn aangeslagen in Bosnië is een verhaal dat ook niet de minsten onder de byzantinologen, bijvoorbeeld Steven Runciman, doorvertellen. Dit kan bij de gratie van het feit dat er zo weinig bekend is over de kerstening van Bosnië. De autocefale Bosnische Kerk, waartegen op verzoek van Hongarije zelfs kruistochten zijn ondernomen, wordt gemakshalve als bogomilisch aangeduid. Volgens Donia en Fine, wier betoog ik hier parafraseer, is dit zeker onjuist, en is iedere veronderstelling over massale aanhang van bogomielen en daaropvolgende bekering tot de islam evenzeer onjuist. Het enige dat met zekerheid te zeggen valt is dat het christendom tot de Turkse verovering (1463-1481) nog geen grote vorderingen had gemaakt in het moeilijk toegankelijk berggebied van Bosnië. Veel bekeringswerk is gedaan door franciscaner monniken, wier geestelijke nazaten nu “dus” als vanzelfsprekend tot Kroaten verklaard worden. De monniken zijn er nog steeds en hebben een rol gespeeld bij het ontstaan van de Kroatische mythe in de vorige eeuw, maar wijzen nu de oorlog af.

Er waren niet veel kloosters in Bosnië tot 1463. De autocefale kerk is onder het Turkse bewind verdwenen, maar hieruit concluderen dat haar aanhang en masse islamitisch is geworden is niet gewettigd. Vele leden van deze Kerk zijn rooms-katholiek of orthodox geworden, de opvallende aanwezigheid van een grote groep islamieten in Bosnië kan eerder verklaard worden uit sociale factoren. De islam heeft trouwens ook niet een diepe indruk gemaakt op de Bosniërs, evenmin als het christendom. Tolerantie is, betogen Donia en Fine, van oudsher het kenmerk geweest van de Bosnische samenleving.

Zij weten dit alleszins aannemelijk te maken in Bosnia and Hercegovina: a tradition betrayed, maar de verklaring blijft uit hoe het komt dat dit land nu juist het treurige voorbeeld van gebrek aan tolerantie is, hoe het kon worden tot het strijdtoneel van de zwaarste Europese oorlog sinds 1945. Dat het uiteenvallen van Joegoslavië en daarmee de Bosnische oorlog vermijdbaar is geweest staat vast. Het is nu helaas te laat. Belangrijk is dat de mythen over het verleden (“De Geschiedenis” zullen de mythomanen zeggen, maar dat is te veel eer) worden bestreden. Hiertoe bieden Donia en Fine goed en overtuigend materiaal dat een betere verspreiding verdient.

Literatuur

Robert J. Donia & John V.A. Fine Jr., Bosnia and Hercegovina: a tradition betrayed. London: Hurst and Company, 1994.