Redactioneel 1:2 (1993-’94)

Starend over de Atlantische Oceaan, besloot de redactie van Gouden Hoorn dat de tijd rijp was voor een vers nummer van dit non-glossy blad voor de echte Byzantium-liefhebber. Het eerste nummer van Gouden Hoorn maakte enige enthousiaste reacties los, maar doorbrak nog niet de ijzige stilte die heerst in Nederland op het gebied van de Byzantium-studie. Waarom er in dit land geen echte ‘traditie’ van Byzantijnse kennisoverdracht is, valt misschien te begrijpen uit het artikel over de Byzantinologie zoals die gegeven wordt of werd aan de Universiteit van Amsterdam. Het is een persoonlijk relaas van een van onze redactieleden en illustreert de onwil om interesse op te wekken voor Byzantinologie.

Verder in dit nummer (hopelijk) interesse-opwekkende tips voor een leeslijstje in het donkere seizoen, een bespreking van een reisgids om de reiskriebels los te maken, een verslag van de asceticism-conference afgelopen april in New York City, en een beschouwing over de Hippodroom. We hebben ‘de beste dichter van Amsterdam’ gevraagd om zijn talenten op Istanboel toe te passen….

Leest allen Gouden Hoorn en zegt het voort!

Editorial/Summary

This is the second issue of volume I of this new journal about Byzantium. Gouden Hoorn (= ‘Golden Horn’) is published by the ‘O.B.O.’ which stands for ‘Independent Byzantinists Council’, a select group of people who are not attached to a university, but who share an interest in the Byzantine world of the past and the present. The aim of ‘O.B.O.’ is to create enthusiasm for ‘Byzantium’ outside the universities, which, according to ‘O.B.O.’, do not achieve enough to present a unitary platform of Dutch Byzantine Studies.

Contents of this issue:

Advertisements

Historische romans over de Byzantijnse tijd: een kleine keuze

door Annabelle Parker

Een historische roman is voor een wetenschapper (in opleiding) niet interessant, immers, een roman is per definitie subjectief, geromantiseerd. Je moet als student je studieboeken leren en dat impliceert vaak dat je geen tijd hebt om een roman ernaast te lezen. Als het zover is dat het einde van je studie in zicht is, of dat je zelfs afgestudeerd bent, dan is het heel aardig om eens met een andere blik naar een deel van de geschiedenis te kijken dan met een ‘zuiver wetenschappelijke’. Koop eens een romannetje in een tweedehands boekenzaak en ontdek dat het verleden echt gaat leven, kortom: lees eens een historische roman!

Hierna presenteer ik een (willekeurige) lijst van Byzantijnse historische romans (dat zijn dus romans die wat betreft inhoud in de invloedssfeer van Byzantium liggen) die overal vandaan komen. Het niveau van deze romans verschilt enorm: het ene boek is echte kitsch, het andere is een oprechte poging het verleden te doen herleven.

Wat zo leuk is aan het verzamelen van dit soort literatuur is dat het zo verbazend en bemoedigend is dat er zoveel verschillende mensen zijn die zich met een klein aspect van Byzantium bezighouden. Misschien is het ook nog wel iets voor uw eigen Gouden Hoorn om een heus feuilleton over bijvoorbeeld de schandelijke perikelen rondom het keizerlijk hof ten tijde van een of andere keizerin te publiceren…

Deze lijst heb ik samengesteld met de informatie uit de boeken zelf, voor zover de gegevens strekten. Bij sommige boeken heb ik een kleine aantekening, andere boeken laat ik aan de lezer zelf ter beoordeling. De meeste schrijvers zijn mij volstrekt onbekend.

Paul I. Wellman: Theodora van Byzantium. Keizerin-maîtresse, Ned. uitgave: Kadmos, Houten, 1987. 422 pagina’s. ISBN 90-6790-134-2, vertaler onbekend.

Dit boek valt onder de categorie kitsch. De schrijver verlekkert zich aan het idee dat Theodora (c. 503-547) ooit een publieke vrouw was. Ik ben bij blz. 100 ongeveer blijven steken. Een citaat waarin Constantinopel wordt beschreven: “Zij was wereldwijs, sensueel en verleidelijk en haar miljoenenbevolking was nimmer in ruste als de polsslag van hun warme bloed. Haar ziel was gevuld met tegenstrijdige verlangens en ook hierin geleek zij op een vrouw. Zij was tegelijk fatsoenlijk en ijdel, sentimenteel en wreed, beschaafd en barbaars.” etc.

Helen A. Mahler: Empress of Byzantium. The last days of a Barbaric Empire, Bantam Books, New York (1952) 1953. Uit het Duits vertaald door de auteur zelf, met behulp van Leona Nevler.

De keizerin Athenaïs-Eudocia, vrouw van Theodosius II (408-450) speelt de hoofdrol als de mooie, intelligente, heidense keizersvrouw. “It is the story of a young queen, a virtual prisoner amidst the barbaric splendors of the royal palace, enslaved by her husband’s possessive lust.” Voer voor Hollywood!

Dmitri Merejkowski: Julianus Apostata. De laatste Helleen op den troon der caesars, W. de Haan, Utrecht, zonder jaar. Vertaald uit het Russisch door J.P. Wesselink-van Rossum, 266 pagina’s.

Gekocht bij antiquariaat De Fluwelen Zeemuis.

Joseph Bidez: Keizer Julianus. De ondergang van het antieke heidendom, Aula-boeken, Het Spectrum, Utrecht-Antwerpen, zonder jaar. Uit het Frans vertaald door Dr. J.A. Schröder, 332 pagina’s.

Dit boek is ook in het Duits in het Betere Antiquariaat te vinden. Julianus Apostata inspireerde veel (roman)schrijvers, zie ook de vorige GH voor G.J.D. Aalders: Julianus de Afvallige. Het leven van een verbitterde keizer, J.H. Kok, Kampen, 1983. Dit is niet zozeer bedoeld als roman, maar leest makkelijker weg dan een als wetenschappelijk bedoeld boek.

Jelle Wytzes: De Keizer en de nieuwe God, J.H. Kok, Kampen, zonder jaar. 194 pagina’s.

Dit boek is waarschijnlijk bedoeld als spannend of leerzaam jongensboek. Ik ben wel geen jongen, maar vond het toch een leuk boek waarin een aardig beeld wordt gegeven van de niet altijd even brave keizer Constantijn de Grote.

Robert Graves: Count Belisarius, Pyramid Books, New York, 1966 (Random House, 1938), 415 pagina’s.

Dit boek lag onlangs nog in de etalage van een grachtengordelboekhandel als kloeke Penguin-pocket. Verplichte kost voor Byzantinologen!

Felix Dahn: Een strijd om Rome, deel 1 en 2. Historische Roman, vertaald uit het Duitsch door G.T.B.
dl. 1: derde druk Arnhem-Nijmegen, gebrs. E. & M. Cohen, geen jaartal, 338 pagina’s;
dl. 2: gebr. E. & M. Cohen, Amsterdam, geen jaartal. 520 pagina’s.

Ik heb dus twee verschillende delen en ben er voorlopig nog niet doorheen. Er schijnt ook een derde deel te zijn, onlangs nog op het Waterlooplein gesignaleerd. Tevens in het rommeligere antiquariaat verkrijgbaar.

Gillian Bradshaw: The beacon at Alexandria, Penguin-paperback, Harmondsworth, 1988. 376 pagina’s. ISBN 0-14-010435-6.

Dit verhaal speelt zich af in de late Oudheid. Een rijk meisje wil later liever dokter worden dan rijke vrouw die representatief moet zijn voor haar huishouden.

Jan Romein: De dood van Nikephoros Phokas, N.V. Wereldbibliotheek, Amsterdam, 1934. Met drie linoleumsneden van J.J. Voskuil.

De enige historische roman van Jan Romein, die zich ook nog kortstondig Byzantinist mocht noemen.

Emmanuel Rhoïdis: Pausin Johanna, vertaald uit het Nieuwgrieks en van een nawoord voorzien door Gerrit Komrij, derde druk, De Arbeiderspers, Amsterdam 1992. 201 pagina’s.

De oorspronkelijke uitgave dateert uit 1886, Athene. De Engelse vertaling is van Lawrence Durrell: Pope Joan, a Mayflower-Dell Paperback, London, deze editie: 1965 (eerst uitgegeven in 1954). Deze vertaling heeft een kort voorwoord over de schrijver Royidis, noten en een bibliografie. 168 pagina’s.

Procopius: Geheime geschiedenis van Byzantium, vertaald uit het Oudgrieks en van een nawoord voorzien door Gerrit Komrij, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1970. 178 pagina’s.

Dit is de Nederlandse vertaling van Anekdota (dit betekent ‘onuitgegeven werk’), in 550 geschreven door Procopius, waarin hij zijn visie op het hof van Justinianus en Theodora geeft. Een soort ‘unauthorised version’ van het leven van Theodora en haar machtsspelletjes aan het hof.

Roderick Conway Morris: Jem. De avonturen van een geheim agent in de vijftiende eeuw, Van Holkema en Warendorf, Houten, 1990 (oorspr. geschreven in 1988); 319 pagina’s, slechts 7,95 bij De Slegte, vertaald uit het Engels door Sante Brun. ISBN 90-269-6419.

Mohamed El-Fers: Istanbul, reisgids

recensie door Annabelle Parker

Istanbul, reisgids door Mohamed El-Fers, uitg. Jan Mets, Amsterdam, 1993, ISBN 90-5330-054-6.

Het volgende jaar is het voor de redactie weer tijd om naar Istanboel te gaan, vandaar het bekijken van een aantrekkelijk ogende reisgids. Het duurde nogal lang voordat deze reisgids uitkwam: in oktober ’92 al besteld, in juni ’93 pas verschenen. Maar deze gids is dan wel een ‘geheel nieuwe gids’ en geen gereviseerde. De reden voor de vertraging is dat er zoveel veranderd is in Istanboel de laatste jaren, aldus de Verantwoording. De historische binnenstad is autoluw, en een nieuwe Galatabrug en tram sieren de Stad.

Wat heeft deze gids van Mohamed El-Fers, die zelf jaren in Istanboel woonde en werkte, de nieuwsgierige reiziger te bieden?

De gids is opgebouwd rond zeventien wandelingen. Daarnaast treffen we nog een beknopt overzicht van de geschiedenis van Istanboel aan, met meer accent op de Ottomaanse tijd dan op de Byzantijnse, maar dat nemen we de auteur niet kwalijk. Veel wandelingen door het historische Istanboel/Constantinopel hebben de (weliswaar gratis, maar stampvolle) tramlijn als centraal verbindingspunt, “…want geen enkele gratis lijn op aarde voert langs zoveel historische hoogtepunten als deze.”

De gids is vermakelijk geschreven met leerzame stukjes voor iedere bezoeker. Wist u bijvoorbeeld dat de spectaculaire race in de James Bondfilm ‘From Russia With Love’ zich in de cisternen van het Yerebatan Saray Müze afspeelde? Of hoe u beleefd over de prijzen in de Grote Bazaar kunt onderhandelen? Of hoe u moet handelen als u gearresteerd wordt op verdenking van het bezitten/kopen/verkopen van drugs? Of hoe u zich kunt redden in een toilet met mogelijkheid tot wassen met een plastieken fles of kannetje? De laatste twee kwesties kunt u nalezen in het hoofdstuk “Istanbul van A tot Z.”

Verder staat er in deze reisgids nog een hoofdstuk over de Prinseneilanden en Yalova, een overzicht van belangrijkste historische data onder de naam “Istanbul eeuw in, eeuw uit”, een literatuuroverzicht, een register, een op geel papier afgedrukt “Wie, wat waar?”, en tenslotte een lijst met Nederlands-Turks en Turks-Nederlands (‘Ik ben Belg, welk gerecht raadt u aan?/Ik ben Nederlands, ik heb geen geld!’).

‘Istanbul‘ staat vol mooie zwart-witfoto’s en bij de meeste wandelingen staan plattegronden aangegeven. Ik vond het een originele en grappig geschreven gids met nieuwe tips voor mijzelf om uit te proberen.

Verslag van de International Conference on Asceticism, Union Theological Seminary, New York, april 1993

door Annabelle Parker

Aangemoedigd door Elizabeth Castelli, collega-Syncletica-kenster, besloot ik om het bovengenoemde interessante en belangwekkende congres in New York City te bezoeken, als één van de weinige niet-universitair gebonden congresgangers (‘Where do you teach’ was een veel gehoorde vraag). New York beviel best, en de omgeving van het Union Theological Seminary was prachtig. Het was volop lente en de besloten tuin bood vele mogelijkheden tot rust, overpeinzing en gesprek. Daarbuiten, op Broadway, was het gezellig druk, met veel boekenstalletjes.

De officiële titel van het congres luidt: ‘The Ascetic Dimension in Religious Life and Culture’. Het beloofde een belangrijk congres te worden, van zondag tot en met donderdag. Jarenlange voorbereidingen gingen eraan vooraf door een groep mensen, die vanuit diverse disciplines het begrip ascetisme bestudeerd had. Dit was de eerste grote ontmoeting van die besloten groep met andere wetenschappers en belangstellenden die zich bezig houden met de bestudering van ascetische levenswijzen.

In al die jaren van overleg was het voor de besloten groep niet mogelijk gebleken een sluitende definitie te vinden van het begrip ascetisme (Castelli: “We have published three volumes of something we still have to define”). Er zijn zoveel manieren waarop ascetisme beoefend kan worden, dat het zeer interessant is om deze kwestie in een grotere groep ter discussie te stellen. Het congres werd geleid door Vincent Wimbush en William Love van Union. Iedere congresganger kon zijn/haar zegje doen, en de congresleiding zou er zelfs op letten dat alle opmerkingen in de congresbundel zouden worden opgenomen. Ik kan in dit verslag maar een beperkt aantal sprekers noemen, omdat de dertig lezingen te veel ruimte zouden innemen in dit artikel.

De eerste dag had als thema “Origins and meanings of Asceticism”, hetgeen vooral ‘kip-ei’discussies bij het publiek losmaakte. De eerste lezing was van Gillian Clark (Univ. of Liverpool), die onlangs een boek schreef over vrouwen in de Late Oudheid. Zij vroeg zich af of ascetisme een echte christelijke levensstijl is. Daarna volgde Samuel Rubenson (Lund), die bekend moge zijn van zijn boek The letters of St. Anthony. Hij sprak over Antonius en de oorsprong van het monasticisme: volgens Rubenson is het nodig het intellectuele milieu (de bronnen) te bestuderen teneinde iets over de motieven en de gedachten van de eerste monniken te leren. Volgens hem trok de ascetische levenswijze in Egypte niet alleen armen aan, maar ook velen uit de ‘geletterde’ middenklasse en hogere klassen. De eerste monniken waren middenklasse geletterde personen die niet gevlucht waren uit de maatschappij, maar die een filosofisch leven trachtten te leiden ver van de maatschappij.

De eerste avond vond het ‘Plenary Address’ plaats in de mooie kapel van Union door bisschop Kallistos Ware. Zijn lezing was getiteld “The way of the ascetics: negative or affirmative?” Ware benadrukte dat ascetisme een universele, menselijke roeping is. De twee belangrijkste verschijnselen van ascetisme, terugtrekking (anachoresis) en zelfbeheersing (enkrateia), zijn, wanneer ze positief benaderd worden, hiervan het bewijs. Ascetisme is geen onderdrukking of egoïsme, maar transfiguratie: ‘Serving society by transforming himself’, aldus Kallistos Ware.

De tweede dag had als thema “Hermeneutics of asceticism”. Averil Cameron (King’s College. London) sprak over “Ascetic closure and the End of Late Antiquity”, waarbij ze ascetisme ziet als een mogelijke factor voor culturele verandering in de Late Oudheid. Dit is te bewijzen door naar de gebezigde taal van de ascetische geschriften ( de ‘ascetic discourse’) uit die tijd te kijken. Deze taal was er één van discipline en beheersing. De Laat-Antieke asceten leefden niet in een aparte wereld, maar midden in de maatschappij, ze hadden namelijk een publiek nodig; en zodoende had hun taalgebruik en daardoor hun ideeëngoed invloed op allen om hen heen, ook op armen en vrouwen. Cameron besluit met de benadrukking dat de geschiedwetenschap baat zou hebben bij een tekstkritische benadering van het bronnenmateriaal.

In het antwoord, dat na iedere ronde van toespraken werd gegeven, benadrukte Elizabeth Castelli (College of Wooster, Ohio) dat Cameron de theorie, dat Byzantium een statisch theokratisch rijk zou zijn, ontkracht heeft in haar rede over de onstabiele vijfde-eeuwse maatschappij.

Dinsdag de 27ste april was gewijd aan het thema “Aesthetics of Asceticism” en werd voornamelijk gehouden in het aan de overzijde van Union Theological Seminary gelegen Jewish Theological Seminary of America. De drie sprekers waren zeer uiteenlopend van karakter: Ephraïm Isaac (uit Eritrea, vertelde hij me, maar lesgevend aan het Inst. of Semitic studies, Princeton, N.J.) sprak over de rol van voedsel en vasten in religie; Gregory Collins, een Ierse monnik, sprak over Symeon de Nieuwe Theoloog. Als laatste trad Geoffrey Harpham (Tulane, New Orleans, English Dep.) op, die een schokkende redevoering hield onder de titel “Ascesis and the Modernity of Art”. Hij had xeroxen uitgereikt van twee afbeeldingen: één van een omarming van Elisabeth en Maria, en een afbeelding van Paulus van Thebe en Antonius Abt, die elkaar voor een grotingang omarmen. U begrijpt al waarom de zaal ging gniffelen: Harpham gaf deze afbeeldingen een psychoanalytische betekenis. Zelfs de Koptische ikoon van Antonius op de voorkant van het programmaboekje werd homoseksueel uitgelegd. In de discussie na afloop keerden Isaac en Collins zich tegen de visie van Harpham dat de boekrol in Antonius’ handen symbool zou staan voor het mannelijk lid… Harpham verdedigde zich door te zeggen dat ascetisme volgens hem geladen is met erotiek, alleen wil men dat niet zien. Deze discussie was de meest grappige en heftige die in de conferentie voorkwam.

De volgende dag was het thema “Politics of Asceticism”. Vasudha Narayanan (U. of Florida) sprak over de teruggetrokken levensstijl van de Srivaisnava-gemeenschap in India. De huwelijksmetafoor van het huwelijk van Antal met Vishnu wordt op de gemeenschap overgebracht. De vrouwen uit de gemeenschap proberen zoveel mogelijk op deze Antal te lijken als ze trouwen. Dit is een ascetisch gebruik. Een soort ‘Bruiden van Vishnu’?

De laatste dag bestond uit een aantal korte lezingen over diverse onderwerpen. Zo sprak Jason BeDuhn (Indiana Univ.) over “The battle for the Body in Manichean Asthetics”. Jason: ‘To be a Manichean is to be an ascetic’. Helaas is het omgekeerde niet het geval, zodat de definitie van ascetisme wederom niet werd gevonden. Maar ja, van de enige groep waarvan ieder lid een asceet was, de Manichaeeën, is dan ook iedereen uitgestorven, zoals Elizabeth Clark (Duke Univ., N.C.) in haar ‘critic’s response’ mededeelde.

Clark had de ondankbare taak om de hele conferentie samen te vatten als ‘Conference reporter’. Zij deed dat zeer helder.

Samenvattend was de conferentie geslaagd in zijn opzet om discussie op gang te brengen tussen geïnteresseerden in- en kenners van ascetische levenswijzen over het begrip ascetisme. Met veel belangstelling zie ik uit naar de Proceedings van de conferentie en een mogelijke opvolger ervan over enkele jaren.

Byzramsj

door André de Raaij

Tegen het verschijnen van deze Gouden Hoorn waren er geen titels in de ramsj die betrekking hadden op het toch al in tijd en plaats zo ruim bemeten onderwerp, maar wel heel wat titels over aanpalende gewesten en tijdvakken. Veel van de in het vorige nummer genoemde boeken zijn nog steeds te vinden!

H.N. Loose, Die Geschichte von Josef und seine Brüder – die Goldmosaiken im Markusdom von Venedig. Met 44 afbeeldingen in kleur. De Slegte, fl.6,95

Edward Gibbon, Herfsttij en ondergang van het Romeinse Rijk. Een klassieker verkort vertaald, rijk geïllustreerd en nu dus verramsjt, op diverse plaatsen waargenomen voor fl.35,-

R.P. Lister, Gengis Khan. Een indirecte doodgraver van het Rijk mag het bij Scheltema enz. proberen voor fl.17,90

G.H. Jansen, De militante Islam. Met actuele Aulaboeken loopt het op de een of andere manier bijna nooit goed af, f.7,90 dus. (Gaat over het hedendaagse “réveil”, Scheltema).

Francesco Gabrieli, Arab historians of the Crusades. Scheltema, fl.19,90

Gabriele Crespi/Einführung: Francesco Gabrieli, Die Araber in Europa. Een rijk verlucht boek met veel aandacht voor de kunst – een genre dat in het algemeen voor de ramsj gemaakt wordt. Scheltema, fl.65,-

Philip Glazebrook, De reis naar Kars – eigentijdse reis door het Ottomaanse rijk. Eigentijds dan wel in de nadagen van dit rijk. Uit de Hollandia-Reisbibliotheek, uit de nadagen van een uitgeverij die haar goede tijden al meer dan driekwarteeuw achter zich heeft. Diverse plaatsen, fl.14,90

Rodrick Conway Morris, Jem. Zie onder “Historische romans” in dit nummer, fl.7,95

J. Roldanus, De Syrisch-orthodoxen in Istanbul. De Slegte, fl.8,95. De schrijver weet aannemelijk te maken dat de Syrisch-orthodoxen, die Tur Abdin ontvlucht zijn naar Istanbul hier niet zo’n last van vervolging en bittere armoede hebben als gesuggereerd is in de tijden toen “Christen-Turken” even een begrip in het nieuws waren. Maar afgezien van het feit dat er voor een dergelijk boek nooit een groot publiek zal zijn, geeft het wel te denken dat het lot van deze groep geen thema meer is: in Nederland is de deur dichtgegaan voor vluchtelingen (wijd open stond die toch al niet) en “we” hebben nu éven wat anders aan “ons” hoofd.

Paul Hethrington & Werner Fromm, Byzanz – Stadt des Goldes, Welt des Glaubens. Nog een rijk geïllustreerd kunstboek bij De Slegte voor fl.29,50, de enige “echte” Byzantium-titel dus.

Anton Wessels, Arabier en christen. De Slegte, fl.6,95. De schrijver heeft de irritante gewoonte namen van volken met een kleine letter te schrijven. Op de thematiek van dit boek, dat uw Byzramsj-verzamelaar (evenals het boek van Roldanus) blijkbaar als een van de weinigen voor de volle prijs gekocht heeft, komen we in het volgende nummer terug.

De kop van de slang

door André de Raaij

“Verlosser, die den slang het hoofd verpletten zult”
— Vondel, Lucifer

Is het Paardenplein, At Meydani, de grote trekpleister van toeristen in Istanbul? Het lijkt er wel op, en zoals meestal bij grote attracties in de vreemdelingenindustrie kun je je met flinke verbazing afvragen of al die mensen nu echt geïnteresseerd zijn in Turkse, Byzantijnse, Romeinse en Griekse oudheden (voorzover men deze zo precies kan en mag onderscheiden). De Ayia Sofia geldt als een soort wereldwonder, maar met evenveel gemak is het Noordhollandse polderlandschap als zodanig te presenteren en worden dagelijks duizenden mensen uit bussen gespuwd in het midden van Beemster of Purmer: u staat nu op de bodem van een heel diep meer. Het bekijken van “bezienswaardigheden” van menselijke makelij (zoals dus ook die polders) zou door historische interesse gemotiveerd moeten zijn. Deze interesse is geen morele verplichting, maar mijns inziens de enige geldige verklaringsgrond: hier was dus de paardenrenbaan van de nieuwe hoofdstad van het Romeinse Rijk, in het verlengde ervan de aan de Egyptische heilige Sofia gewijde basiliek, nog verder het paleis van de sultans en achter de kijkende mens van de laat-twintigste eeuw het restant van een Byzantijns paleis.

Veel, te veel wellicht om te bevatten, en dan hebben we het nog maar niet over de Sultanahmet-moskee, die ook al zoveel geschiedenis heeft die in continuïteit gezien kan worden met het heden: geen zeer diepgaande breuk, ook al is er geen sultan meer. Toch vermoed ik dat het historisch besef van de meeste mensen die de volle bussen op het plein uitspuwen niet verder reikt dan het hedendaagse mediabewustzijn: suffe jaren vijftig, swingende jaren zestig en de rest hebben we op school gehad. Dus welk besef komt hier enigszins tot leven?

De kastanjebomen aan de rand van het plein zorgen voor een voortdurend bombardement met het geluid van explosies, de politie zorgt met luid loeiende sirenes zeer stoer voor verder leven. Op het Hippodroom heb ik geen paarden gezien, wel berenleiders met twee beren: het heet verboden, maar dat is de sluier voor vrouwen ook, niet iedere wet is even duidelijk een wet in de Turkse republiek. In het holst van de nacht geeft de muëzzin van de Sultanahmet het uur van het gebed aan: in deze stad vol moskeeën valt het op dat dit uur niet heel precies aan te duiden valt. Sommige zijn de Sultanahmet voor, andere volgen later, en het is zeer vroeg, ergens tussen vijf uur en half zes.

Het is ons niet meer gegeven mee te maken hoe het geklonken moet hebben toen de oproep nog van de torenspits van de minaret onversterkt gedaan werd. De minaret heeft zijn eigenlijke functie verloren en is nu nog maar het ornamentale bouwsel dat wijst op een gewijde plaats. (De Sultanahmet heeft er zes, een extra bijzonderheid die niets afdoet aan het verlies van de aardse functie van de gebouwen.) De muëzzin heeft een microfoon die kennelijk aan een muur binnen is bevestigd, in de minaret zijn megafoons aangebracht die het kennisnemen van de mededeling dat God groot is onontkoombaar maken. Aan deze mededeling kan nog wel eens wat gekuch of keelgeschraap voorafgaan: onvermijdelijk is het voor de muzzin ook even slikken om op dit uur zijn werk te doen.

De oproep vanaf de minaretten van de Sultanahmet zal ook zonder elektronische versterking over het hele Paardenplein te horen zijn geweest. De heuvel aan de westkant moet in tijden zonder storende geluidsfactoren als autoverkeer overdag voor een goede weerkaatsing gezorgd hebben. Maar dit is slechts speculatie, zelfs als het niet meer nodig zou zijn zou de muëzzin via de microfoon roepen, zo’n uitvinding moet nu eenmaal gebruikt worden. Het heeft, waarschijnlijk ongewenste, effecten die zijn optreden soms doet balanceren op de dunne draad tussen het potsierlijke en het indrukwekkende. Na de oproep tot gebed hoort men een harde plof, nieuw gekuch en een geluid dat klinkt als nadrukkelijke voetstappen die wegsterven in een toren: je hoort, en ziet als het ware daardoor, de muëzzin de trappen van de minaret weer afdalen. Maar dit veronderstelt te veel continuïteit in de functie van de minaret – het geluid dat door de microfoon wordt weergegeven is afkomstig van de microfoon zelf die nog een tijdje tegen de muur blijft aanwaggelen na het terughangen.

In tegenstelling tot wat de meeste mensen zullen denken zijn moskeeën niet vreemd aan “Byzantium”, per definitie verbonden aan Istanbul, niet aan Constantinopel. Dit misverstand zullen de kruisvaarders die het in 1204 nodig vonden de stad in te nemen, ook gekoesterd hebben. Tot het vele dat zij verwoest hebben behoorde de moskee ten dienste van Arabische en Turkse ingezetenen en bezoekers van de hoofdstad van het christelijke oosten. Daarbij ging de hele buurt eromheen eveneens in vlammen op. Het is maar helemaal de vraag wie de wedstrijd Byzantium-plunderen-en-vernielen achteraf zou winnen: de kruisvaarders of de Turkse veroveraars van 1453. Dat de kruisvaarders van God los waren is geen overdreven uitspraak.

Toen de helden van de roomsche kerk de stad innamen was het Hippodroom al in verval, en ze hebben niet nagelaten aan dit verval hun bijdrage te leveren. Toen zij in 1261 de stad uitgejaagd konden worden stonden er nog slechts de drie monumenten die er nu nog als overblijfselen van het Hippodroom staan: de obelisk van Toetmoses, de zuil van Constantinus Porphyrogenitus en de Slangenzuil. De obelisk was al hoogbejaard toen hij van Karnak naar Constantinopel werd gehaald (geroofd mag men natuurlijk ook zeggen), bijna 1900 jaar om zo precies mogelijk te zijn. Daarbij is hij flink wat kleiner gemaakt. Toetmoses had hem opgericht om een overwinning op de Syriërs te gedenken. De zuil van Constantinus Porphyrogenitus was in feite al zes eeuwen oud toen de keizer waarnaar zij genoemd is haar met brons bekleedde om de roem van Basilius I te bezingen. Met dat brons wisten de kruisvaarders raad. Het is wel het enige monument op de spina van het Hippodroom dat echt op zijn plaats is.

Het merkwaardigste is de slangenzuil. Men moet weten dat de groen uitgeslagen reuzeschroef die hier uit de grond steekt niet in een reuzeboormachine hoort, maar dat het drie verstrengelde bronzen slangen zijn. Ook zij dienen als monument voor een overwinning dat ooit elders stond: het brons is gesmolten uit de schilden van Perzische soldaten die bij de slag van Plataeae zijn achtergebleven (479 v. Chr.). Op de slangen stond in Delphi een gouden drievoet met een gouden vaas, waarin kruiden verbrand moesten worden om de orakelpriesteres in de juiste stemming te brengen. Deze gouden onderdelen zijn al in Delphi verdwenen. Maar de slangen waren compleet toen Constantijn de zuil naar de nieuwe hoofdstad haalde. En de diepgelovige kruisvaarders hebben de zuil gerespecteerd, omdat zij in de dertiende eeuw als amulet tegen slangen gold: het was aan de zuil te danken dat er geen slangen in de stad waren, en in ieder geval behoedde zij voor beten.

Of de koppen er nog allemaal aanzaten in 1700 is de vraag: reizigers van voor die tijd meldden al schade aan wat ooit een drietal slangekoppen had moeten zijn. Laten we voor het gemak aannemen dat er zeker één verdwenen was: toch door verval? Een beetje moeilijk te begrijpen hoe dit had gekund zonder dat het verval een handje werd geholpen. Hoe het ook zij, sinds 1700 zijn alle koppen er af. De Dominicus-reisgids Istanbul en omgeving van Herman Beliën en Rina Koper meldt: “Op 20 oktober 1700 zijn de koppen van de slangen er afgevallen.” Het zullen niet alle drie de koppen zijn geweest, want, als gezegd, vroegere reizigers wekken de indruk dat er zeker één weg was. Hoe kwam het dat die koppen er juist op die dag de brui aan gaven, bronsmoeheid?

De Guide Bleu weet meer: de Poolse ambassadeur heeft in stomdronken staat de koppen afgehakt (volgens de Guide Bleu alle drie, maar dat zal niet kloppen). Een sterk staaltje, waar een kracht voor nodig is die misschien wel door dronkenschap moest worden opgeroepen. En Polen, ambassadeur of niet, kunnen stevig drinken, blijkbaar een historische traditie. De Guide Bleu vermeldt dat het schandaal in de doofpot werd gestopt, om geen diplomatieke complicaties te krijgen: in 1700 diende men blijkbaar al eerbiediger tegenover oudheden te staan dan in de dertiende eeuw – de Renaissance zit er tenslotte niet voor niets tussen. In de negentiende eeuw zijn de restanten van een van de koppen teruggevonden, die zijn nu in het Archeologisch Museum van Istanbul te zien. De vraag blijft: zijn dit resten van een van de koppen die de Poolse ambassadeur heeft afgehakt? Het lijkt mij niet zo waarschijnlijk.

Blijf ik met de vraag zitten waarom de Dominicusgids zo laconiek het verhaal vertelt van koppen die spontaan naar beneden komen, na bijna 22 eeuwen. Moet de Poolse ambassadeur die zich dronken misdroeg in de hoofdstad van de islamitische wereld nu nog de hand boven het hoofd worden gehouden? Of is het verhaal over de dronken ambassadeur die waarschijnlijk op een ladder moest gaan staan om zijn krachttoer uit te voeren een verdichtsel? Wat de waarheid ook moge zijn, het monument van Plataeae, verbonden aan het heiligdom van Delphi en hierheengehaald door de keizer die zich ook een beetje Apollo waande, staat er nu als een deerniswekkend onbegrijpelijk restant, aangegaapt door de busladingen toeristen. Misschien kan een doe-het-zelfwinkelketen het poetsen van deze reuzeboor gaan sponsoren…

Gouden Hoorn literair

door André de Raaij

VEROOSTERS

O Gouden Hoorn
parel van ‘t nieuwe Rome
wat kunt u stinken!

OOSTERS I

Vallende kastanjes zorgen voor een benauwde droom
op een herfstige nacht aan Byzantiums Hippodroom –
eens schouwplaats voor burgers, edelen en keizers,
nu kucht de muëzzin er door de microfoon.

OOSTERS II

Hij kucht en roept dan: God is groot!
en bij het achtloos ophangen stoot
hij het toestel knallend tegen de muur,
zijn routineklusje voor het dagelijks brood.

OOSTERS III

Vanaf de toren telt men zeker tien
kruisen van kerken in de buurt; misschien
loopt de stad over van de dhimmi’s.
Maar op de grond is daar niets van te zien.