De kop van de slang

door André de Raaij

“Verlosser, die den slang het hoofd verpletten zult”
— Vondel, Lucifer

Is het Paardenplein, At Meydani, de grote trekpleister van toeristen in Istanbul? Het lijkt er wel op, en zoals meestal bij grote attracties in de vreemdelingenindustrie kun je je met flinke verbazing afvragen of al die mensen nu echt geïnteresseerd zijn in Turkse, Byzantijnse, Romeinse en Griekse oudheden (voorzover men deze zo precies kan en mag onderscheiden). De Ayia Sofia geldt als een soort wereldwonder, maar met evenveel gemak is het Noordhollandse polderlandschap als zodanig te presenteren en worden dagelijks duizenden mensen uit bussen gespuwd in het midden van Beemster of Purmer: u staat nu op de bodem van een heel diep meer. Het bekijken van “bezienswaardigheden” van menselijke makelij (zoals dus ook die polders) zou door historische interesse gemotiveerd moeten zijn. Deze interesse is geen morele verplichting, maar mijns inziens de enige geldige verklaringsgrond: hier was dus de paardenrenbaan van de nieuwe hoofdstad van het Romeinse Rijk, in het verlengde ervan de aan de Egyptische heilige Sofia gewijde basiliek, nog verder het paleis van de sultans en achter de kijkende mens van de laat-twintigste eeuw het restant van een Byzantijns paleis.

Veel, te veel wellicht om te bevatten, en dan hebben we het nog maar niet over de Sultanahmet-moskee, die ook al zoveel geschiedenis heeft die in continuïteit gezien kan worden met het heden: geen zeer diepgaande breuk, ook al is er geen sultan meer. Toch vermoed ik dat het historisch besef van de meeste mensen die de volle bussen op het plein uitspuwen niet verder reikt dan het hedendaagse mediabewustzijn: suffe jaren vijftig, swingende jaren zestig en de rest hebben we op school gehad. Dus welk besef komt hier enigszins tot leven?

De kastanjebomen aan de rand van het plein zorgen voor een voortdurend bombardement met het geluid van explosies, de politie zorgt met luid loeiende sirenes zeer stoer voor verder leven. Op het Hippodroom heb ik geen paarden gezien, wel berenleiders met twee beren: het heet verboden, maar dat is de sluier voor vrouwen ook, niet iedere wet is even duidelijk een wet in de Turkse republiek. In het holst van de nacht geeft de muëzzin van de Sultanahmet het uur van het gebed aan: in deze stad vol moskeeën valt het op dat dit uur niet heel precies aan te duiden valt. Sommige zijn de Sultanahmet voor, andere volgen later, en het is zeer vroeg, ergens tussen vijf uur en half zes.

Het is ons niet meer gegeven mee te maken hoe het geklonken moet hebben toen de oproep nog van de torenspits van de minaret onversterkt gedaan werd. De minaret heeft zijn eigenlijke functie verloren en is nu nog maar het ornamentale bouwsel dat wijst op een gewijde plaats. (De Sultanahmet heeft er zes, een extra bijzonderheid die niets afdoet aan het verlies van de aardse functie van de gebouwen.) De muëzzin heeft een microfoon die kennelijk aan een muur binnen is bevestigd, in de minaret zijn megafoons aangebracht die het kennisnemen van de mededeling dat God groot is onontkoombaar maken. Aan deze mededeling kan nog wel eens wat gekuch of keelgeschraap voorafgaan: onvermijdelijk is het voor de muzzin ook even slikken om op dit uur zijn werk te doen.

De oproep vanaf de minaretten van de Sultanahmet zal ook zonder elektronische versterking over het hele Paardenplein te horen zijn geweest. De heuvel aan de westkant moet in tijden zonder storende geluidsfactoren als autoverkeer overdag voor een goede weerkaatsing gezorgd hebben. Maar dit is slechts speculatie, zelfs als het niet meer nodig zou zijn zou de muëzzin via de microfoon roepen, zo’n uitvinding moet nu eenmaal gebruikt worden. Het heeft, waarschijnlijk ongewenste, effecten die zijn optreden soms doet balanceren op de dunne draad tussen het potsierlijke en het indrukwekkende. Na de oproep tot gebed hoort men een harde plof, nieuw gekuch en een geluid dat klinkt als nadrukkelijke voetstappen die wegsterven in een toren: je hoort, en ziet als het ware daardoor, de muëzzin de trappen van de minaret weer afdalen. Maar dit veronderstelt te veel continuïteit in de functie van de minaret – het geluid dat door de microfoon wordt weergegeven is afkomstig van de microfoon zelf die nog een tijdje tegen de muur blijft aanwaggelen na het terughangen.

In tegenstelling tot wat de meeste mensen zullen denken zijn moskeeën niet vreemd aan “Byzantium”, per definitie verbonden aan Istanbul, niet aan Constantinopel. Dit misverstand zullen de kruisvaarders die het in 1204 nodig vonden de stad in te nemen, ook gekoesterd hebben. Tot het vele dat zij verwoest hebben behoorde de moskee ten dienste van Arabische en Turkse ingezetenen en bezoekers van de hoofdstad van het christelijke oosten. Daarbij ging de hele buurt eromheen eveneens in vlammen op. Het is maar helemaal de vraag wie de wedstrijd Byzantium-plunderen-en-vernielen achteraf zou winnen: de kruisvaarders of de Turkse veroveraars van 1453. Dat de kruisvaarders van God los waren is geen overdreven uitspraak.

Toen de helden van de roomsche kerk de stad innamen was het Hippodroom al in verval, en ze hebben niet nagelaten aan dit verval hun bijdrage te leveren. Toen zij in 1261 de stad uitgejaagd konden worden stonden er nog slechts de drie monumenten die er nu nog als overblijfselen van het Hippodroom staan: de obelisk van Toetmoses, de zuil van Constantinus Porphyrogenitus en de Slangenzuil. De obelisk was al hoogbejaard toen hij van Karnak naar Constantinopel werd gehaald (geroofd mag men natuurlijk ook zeggen), bijna 1900 jaar om zo precies mogelijk te zijn. Daarbij is hij flink wat kleiner gemaakt. Toetmoses had hem opgericht om een overwinning op de Syriërs te gedenken. De zuil van Constantinus Porphyrogenitus was in feite al zes eeuwen oud toen de keizer waarnaar zij genoemd is haar met brons bekleedde om de roem van Basilius I te bezingen. Met dat brons wisten de kruisvaarders raad. Het is wel het enige monument op de spina van het Hippodroom dat echt op zijn plaats is.

Het merkwaardigste is de slangenzuil. Men moet weten dat de groen uitgeslagen reuzeschroef die hier uit de grond steekt niet in een reuzeboormachine hoort, maar dat het drie verstrengelde bronzen slangen zijn. Ook zij dienen als monument voor een overwinning dat ooit elders stond: het brons is gesmolten uit de schilden van Perzische soldaten die bij de slag van Plataeae zijn achtergebleven (479 v. Chr.). Op de slangen stond in Delphi een gouden drievoet met een gouden vaas, waarin kruiden verbrand moesten worden om de orakelpriesteres in de juiste stemming te brengen. Deze gouden onderdelen zijn al in Delphi verdwenen. Maar de slangen waren compleet toen Constantijn de zuil naar de nieuwe hoofdstad haalde. En de diepgelovige kruisvaarders hebben de zuil gerespecteerd, omdat zij in de dertiende eeuw als amulet tegen slangen gold: het was aan de zuil te danken dat er geen slangen in de stad waren, en in ieder geval behoedde zij voor beten.

Of de koppen er nog allemaal aanzaten in 1700 is de vraag: reizigers van voor die tijd meldden al schade aan wat ooit een drietal slangekoppen had moeten zijn. Laten we voor het gemak aannemen dat er zeker één verdwenen was: toch door verval? Een beetje moeilijk te begrijpen hoe dit had gekund zonder dat het verval een handje werd geholpen. Hoe het ook zij, sinds 1700 zijn alle koppen er af. De Dominicus-reisgids Istanbul en omgeving van Herman Beliën en Rina Koper meldt: “Op 20 oktober 1700 zijn de koppen van de slangen er afgevallen.” Het zullen niet alle drie de koppen zijn geweest, want, als gezegd, vroegere reizigers wekken de indruk dat er zeker één weg was. Hoe kwam het dat die koppen er juist op die dag de brui aan gaven, bronsmoeheid?

De Guide Bleu weet meer: de Poolse ambassadeur heeft in stomdronken staat de koppen afgehakt (volgens de Guide Bleu alle drie, maar dat zal niet kloppen). Een sterk staaltje, waar een kracht voor nodig is die misschien wel door dronkenschap moest worden opgeroepen. En Polen, ambassadeur of niet, kunnen stevig drinken, blijkbaar een historische traditie. De Guide Bleu vermeldt dat het schandaal in de doofpot werd gestopt, om geen diplomatieke complicaties te krijgen: in 1700 diende men blijkbaar al eerbiediger tegenover oudheden te staan dan in de dertiende eeuw – de Renaissance zit er tenslotte niet voor niets tussen. In de negentiende eeuw zijn de restanten van een van de koppen teruggevonden, die zijn nu in het Archeologisch Museum van Istanbul te zien. De vraag blijft: zijn dit resten van een van de koppen die de Poolse ambassadeur heeft afgehakt? Het lijkt mij niet zo waarschijnlijk.

Blijf ik met de vraag zitten waarom de Dominicusgids zo laconiek het verhaal vertelt van koppen die spontaan naar beneden komen, na bijna 22 eeuwen. Moet de Poolse ambassadeur die zich dronken misdroeg in de hoofdstad van de islamitische wereld nu nog de hand boven het hoofd worden gehouden? Of is het verhaal over de dronken ambassadeur die waarschijnlijk op een ladder moest gaan staan om zijn krachttoer uit te voeren een verdichtsel? Wat de waarheid ook moge zijn, het monument van Plataeae, verbonden aan het heiligdom van Delphi en hierheengehaald door de keizer die zich ook een beetje Apollo waande, staat er nu als een deerniswekkend onbegrijpelijk restant, aangegaapt door de busladingen toeristen. Misschien kan een doe-het-zelfwinkelketen het poetsen van deze reuzeboor gaan sponsoren…

Advertisements